Hier vindt u alle publicaties van EqoLibrium. Lees verder of download het bestand meteen.
Impactstudie naar de gevolgen van de bijmengverplichting groen gas op de groengasproductie, de Nederlandse CO2-reductie, de welvaart en de consumentenprijs.
De Nederlandse chemiesector staat voor een grote omslag. Hoe zorgen we dat de productie van plastics en andere koolstofproducten in 2050 zowel circulair als concurrerend is? In het rapport Van Keten naar Kringloop laat Invest-NL zien welke technologische routes mogelijk zijn, welke keuzes daarbij horen en wat dat vraagt van beleid.
Koolstof is nodig voor producten als plastics, bouwmaterialen en hoogwaardige materialen. Nu komt die koolstof vooral uit olie en gas. Als Nederland in 2050 klimaatneutraal wil zijn, moet die fossiele koolstof stap voor stap worden vervangen door gerecyclede stromen, biogrondstoffen en koolstof uit CO2.
In opdracht van Invest-NL onderzocht EqoLibrium welke routes het meest kansrijk zijn en welke rol Invest-NL hierin kan spelen. De scenario-analyse helpt gericht investeringskeuzes te maken en om met overheid, industrie en andere financiers het gesprek te voeren over de noodzakelijke randvoorwaarden.
https://www.invest-nl.nl/nl/nieuws/van-keten-naar-kringloop-zo-maken-we-koolstofchemie-circulair
Om afspraken uit het klimaatakkoord na te komen moeten in Nederland flinke stappen worden gezet om de uitstoot van CO2 te reduceren. Het gebruik van fossiele brandstoffen wordt zo veel mogelijk vervangen door het gebruik van duurzame alternatieven zoals hernieuwbare energie uit wind en zon. De energietransitie vraagt daarbij om een fundamenteel ander energiesysteem dan het huidige, dat onvoldoende voorbereid is op de groeiende energievraag.
Provincie Zeeland werkt samen met netbeheerders en gemeenten aan het opstellen van het Provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (PMIEK). In het PMIEK 2.0 zijn verschillende onderzoeks-, en verkenningsprojecten opgenomen. Eén van de onderzoeksprojecten betreft de gemeente Sluis. Sluis heeft een uniek profiel doordat de toeristische sector een grote invloed heeft op het gebruik van energie. Naast de reguliere vraag uit huishoudens en bedrijven zorgt het toerisme met name in de zomer en vakantieperiodes voor sterke verbruikspieken.
Tegelijkertijd is het landschap rond Sluis een belangrijke trekpleister voor toerisme, wat in bepaalde perioden van het jaar zorgt voor uitzonderlijk hoge pieken in de energievraag en het energieverbruik. Deze combinatie: groot en uitgestrekt buitengebied, een beperkte bevolkingsdichtheid en sterke seizoens-pieken maakt dat zowel vraagpatronen als ruimtelijke omstandigheden een belangrijke rol spelen bij het ontwerpen en het aanleggen van het toekomstige energiesysteem.
Er wordt in deze studie inzicht gegeven in hoe het energiesysteem in de gemeente Sluis in de toekomst kan worden ingericht. Op basis van modelberekeningen worden verschillende scenario’s voor de ontwikkeling van het energiesysteem met elkaar vergeleken. De scenario’s laten zien hoe keuzes rondom duurzame opwek, warmtepompen en netinpassing doorwerken in kosten, uitstoot en netbelasting.
Lessen uit de studie
Op basis van de modelberekeningen hebben de netbeheerder, de provincie Zeeland en de gemeente Sluis door deze studie inzichtelijk gekregen wat de knelpunten waren op het gebied van mogelijke netcongestie in een gemeente die wil doorgroeien én specifieke kenmerken heeft qua energievraag en -aanbod en locatie.
De voorziene problematiek rond de timing van de uitbreiding van het station Oostburg, heeft er mede toe geleid dat Stedin heeft besloten de uitbreiding van dit station enkele jaren naar voren te halen. Verder bleek uit de studie dat er diverse no-regret opties zijn voor de verduurzaming van de energiemix om:
a) de CO2-uitstoot te verlagen ten einde de gestelde klimaatdoelen te halen, en
b) die kostentechnisch het gunstigst zijn.
‘Meten-is-weten’ wordt vaak gezegd. Deze studie toont aan dat dit waar is. Door inzicht in de transitie en de mogelijke scenario’s die op tafel liggen door te rekenen, kunnen netbeheerders en beleidsmakers díe keuzes maken die het meest gunstig zijn. Gunstig voor de inwoners en voor het bedrijfsleven.
Een ander aspect is dat deze studie partijen echt bij elkaar heeft gebracht. Diverse partijen, zoals de netbeheerder, de provincie, de gemeente en lokale ondernemers waren vanzelfsprekend al vaker met elkaar in gesprek. Toch helpt een studie als deze bij het inzichtelijker maken van en het nadenken over onderwerpen die een gemeenschappelijke deler hebben en die iedereen belangrijk vindt. Hierbij blijkt meestal dat, als je oog hebt voor elkaars interesses en belangen en daarin open bent, er diverse doelen bereikt kunnen worden en helder is wie wat wanneer moet doen.
De energietransitie in Nederland zorgt voor een sterke toename in zowel de vraag naar als het aanbod van elektriciteit. Als gevolg hiervan vormt netcongestie een groeiend probleem: het treedt op wanneer de transportcapaciteit van het elektriciteitsnet op een bepaalde locatie onvoldoende is om te voldoen aan de vraag naar, of het aanbod van, elektriciteit. Dit leidt onder andere op bedrijventerreinen tot knelpunten. Bedrijven willen tevergeefs hun activiteiten uitbreiden, duurzame projecten worden vertraagd en andere bedrijven willen zich op een nieuwe locatie vestigen.
Uitbreiding van het elektriciteitsnet is de meest effectieve oplossing voor dit probleem, maar het duurt jaren voordat netuitbreidingen gerealiseerd zijn. Het huidige beleid om netcongestie aan te pakken heeft voorlopig slechts marginaal effect. Tegelijkertijd ontstaan er significante maatschappelijke kosten als gevolg van netcongestie doordat verduurzaming of bedrijfsuitbreiding niet kan plaatsvinden. Daarom zijn andere oplossingen noodzakelijk om de negatieve effecten van netcongestie tegen te gaan.
Opwek van lokale hernieuwbare energie kan verlichting bieden
Een mogelijke oplossing hiervoor is meer lokale opwek van hernieuwbare energie. Lokale energieopwekking op bedrijventerreinen, vaak in combinatie met batterijopslag of andere methoden die flexibiliteit bieden, kan namelijk bijdragen aan een verlichting van netcongestie. Hiervoor moet daarnaast vaak wel de piekvraag van het bedrijventerrein wordt verlaagd. Daarmee ontstaat er ofwel meer relatieve netruimte voor eigen gebruik, of kan de totale benodigde netcapaciteit omlaag ten gunste van andere gebruikers. Bedrijventerreinen zijn hiervoor uitermate geschikt vanwege hun schaalvoordelen en de samenhang van verschillende typen bedrijven, en dus verschillende typen energievraag.
Dit rapport onderzoekt daarom in hoeverre lokale productie van elektriciteit uit zon en wind op bedrijventerreinen een oplossing biedt voor congestieproblemen. Om dit te illustreren wordt de impact van lokale opwek voor twee typen bedrijventerreinen geanalyseerd middels een modelberekening. Voor beide bedrijventerreinen worden twee scenario’s van hernieuwbare opwek (een met en een zonder windenergie) vergeleken met het business as usual scenario. Het scenario waarbij een combinatie van zon én wind mogelijk is, wordt aangeduid met de naam Optimum. Ten slotte wordt het scenario zonder wind aangeduid met de naam Geen Wind. Het onderscheid tussen de twee typen bedrijventerreinen zorgt voor een bredere interpretatie van resultaten. De verschillende bedrijventerreinen betreffen hypothetische situaties, gebaseerd op echte data. Daarmee zijn deze bedrijventerreinen exemplarisch voor veel casussen in het land.
Het leveringszekerheidsrapport van TenneT (mei 2024) waarschuwt voor mogelijke problemen met de leveringszekerheid van elektriciteit in Nederland in 2033. Dit komt door een combinatie van een groeiende elektriciteitsvraag en een groter aandeel zon- en windenergie in de elektriciteitsmix. De afname van regelbaar productievermogen, zoals gascentrales, en het beperkte aanbod van andere vormen van flexibiliteit dragen bij aan deze dreiging. Dit probleem is ook zichtbaar in andere Noordwest-Europese landen, wat de urgentie vergroot om dit vraagstuk te adresseren.
In de huidige situatie vormen kolen- en gascentrales het belangrijkste regelbare vermogen. Echter, door het verbod op kolenenergie vanaf 2030, zal Nederland in 2033 afhankelijk zijn van hernieuwbare energie, import uit omringende landen, gascentrales en batterij-opslag om in de vraag te voorzien. De verwachting is dat er in 2033 ongeveer 9 GW aan gascentrales operationeel zal zijn, een daling van de huidige 12,5 GW. Het risico bestaat dat het aantal beschikbare gascentrales min of meer gelijktijdig zal afnemen, wat de leveringszekerheid ernstig zou kunnen bedreigen.
Het TEACOS-model, gebruikt in het rapport, berekende dat Nederland 23 GW regelbaar vermogen nodig heeft in 2033, oftewel 37,6 TWh op jaarbasis (gedurende 3.798 uur). Dit betekent dat Nederland voor 40% van de tijd afhankelijk zal zijn van import, gascentrales of industriële vraagsturing. De interconnectiecapaciteit voor import is met 13,8 GW een belangrijke bron, maar de beschikbaarheid van import op momenten van schaarste is niet gegarandeerd door concurrentie van andere landen en geopolitieke risico’s.
Batterijcapaciteit wordt gezien als een aanvullende oplossing, maar kan slechts voor korte periodes bijdragen en is beperkt door technische- en marktonzekerheden. De resterende behoefte aan regelbaar vermogen moet worden opgevangen door gascentrales, aangezien de andere opties onvoldoende capaciteit bieden.
De kosten van afschakeling of het verplaatsen in de tijd van industriële productie, vooral wanneer het verplicht wordt, kunnen hoog oplopen en negatieve gevolgen hebben voor bedrijven en huishoudens. In omringende landen zijn capaciteitsmechanismen ingevoerd, waarbij beschikbaarheid wordt beloond. Deze optie zou in Nederland ook kunnen helpen om leveringszekerheid te waarborgen tegen lagere maatschappelijke kosten.
Het rapport beveelt aan om een “verzekeringspremie” te creëren voor het beschikbaar houden van regelbaar productievermogen, vooral in de vorm van gascentrales, via bijvoorbeeld een capaciteitsmechanisme. Dit zou moeten helpen om te voorkomen dat Nederland afhankelijk wordt van onbetrouwbare import en de dure optie van vraagsturing. Daarnaast wordt geopperd om breder te kijken naar leveringszekerheid, waarbij niet alleen de kosten van vraagsturing maar ook de impact op waardeketens, investeringen en de betaalbaarheid van energie voor huishoudens en bedrijven wordt meegewogen.
Op woensdag 26 februari publiceerde de Europese Commissie haar langverwachte Clean Industrial Deal (CID). Dit beleidspakket vormt een antwoord op de uitdagingen van de EU met betrekking tot geopolitieke spanningen, trage economische groei, en technologische competitie. Binnen de CID wordt beleid rond betaalbare energie als hoeksteen bestempeld. Dit is vormgegeven in het Action Plan for Affordable Energy (AEA). Deze pakketten hebben concreet als doel om de Europese industriële competitiviteit te herstellen.
De CID presenteert een indrukwekkend aantal maatregelen dat op papier substantieel lijkt, maar de werkelijke uitdaging schuilt in de nuances van de uitvoering. Hoewel enkele pakketten al in 2025 worden geïmplementeerd, zijn veel maatregelen in werkelijkheid slechts aankondigingen van initiatieven die pas in 2026 of later volledig effect zullen sorteren. Dit uitstel contrasteert scherp met de snelheid waarmee Amerikaanse subsidies via de Inflation Reduction Act en Chinese steunmaatregelen worden uitgerold.
De fundamentele uitdaging ligt in de asymmetrische structuur van de EU zelf: terwijl Brussel strategische visie en beleidskaders biedt, valt de financiële uitvoering grotendeels toe aan de lidstaten. Hoewel EU-cohesiemechanismen bestaande verschillen enigszins nivelleren, blijft het kernprobleem dat veel lidstaten reeds worstelen met krappe nationale begrotingen. Nieuwe EUbeleidsambities waarvoor lidstaten grotendeels zelf moeten betalen, stuiten daardoor op een weerbarstige financiële werkelijkheid – een probleem dat wordt versterkt in het huidige politieke klimaat waarin nationalistisch sentiment vaak prevaleert boven Europese solidariteit.
Al met al is de CID een stap in de goede richting. Het is de voorzet vanuit de Europese Commissie die nu ingekopt moet worden door de nationale lidstaten. Snelheid en daadkrachtig optreden in een mondiale context waarbij Europa moet opboksen tegen grootmachten als de VS en China, blijft een grote uitdaging. Zolang Europa niet in staat is dit te verbeteren, zullen plannen als de CID en de AEA mooie ambities blijken, maar het tij voor de industriële concurrentiepositie niet tijdig kunnen keren.
Om de Europese voorzet te verzilveren, moeten lidstaten meer doen dan slechts de financiële krenten uit de door de EU aangeleverde ‘richtlijnenpap’ halen. De Europese, en dus nationale, industriële competitiviteit herstellen, kost nou eenmaal geld. Het alternatief is echter dat het ons nog meer geld kost, wanneer dezelfde industrie definitief vertrekt. Het water staat hen al aan de lippen. Laten we nu snel en daadkrachtig investeren om onze industrie te behouden.
De EU voerde in 2005 het allereerste emissiehandelssysteem voor broeikasgassen in: het European Union Emission Trading System of kortweg EU ETS. Met een omvang van bijna 50% van de totale broeikasgasuitstoot van de EU wordt het vaak de hoeksteen van het Europese klimaatbeleid genoemd. Onder het EU ETS vallen de elektriciteitssector, de zware industrie en continentale vluchten. De zware industrie bestaat op zijn beurt bijvoorbeeld uit bedrijven in de chemische-, metaalen steenindustrie.
Het EU ETS is inmiddels bijna twintig jaar in werking. In deze twintig jaar heeft het systeem een aantal ingrijpende economische, politieke en maatschappelijke veranderingen doorstaan. Zo hadden we in 2008 te maken met een wereldwijde economische crisis, werd in 2015 het Parijsakkoord getekend, waarna het mondiale klimaatbeleid pas echt in een stroomversnelling kwam, en hadden we in 2020 te maken met een pandemie. In al die tijd bleef de kern van het EU ETS overeind: Uitstoot is beprijsd en de broeikasgasuitstoot van ETS-sectoren daalt naar nul.
Een (internationaal) emissiehandelssysteem met een afnemend aantal emissierechten is een van de meest kostenefficiënte manieren om uitstoot te verminderen. Een van tevoren vastgesteld afnemend emissieplafond biedt bedrijven zekerheid dat uitstoot in de gehele sector naar nul moet. Tegelijkertijd kunnen deelnemende partijen onderling emissierechten verhandelen, waardoor er een prijs ontstaat voor emissierechten. Die prijs zorgt ervoor dat de uitstoot gereduceerd wordt, daar waar dat het goedkoopst kan. Bovendien worden emissierechten steeds schaarser. Dat zorgt ervoor dat er vanuit de aanbodkant op de markt een opwaartse prijsdruk ontstaat. In navolging van de EU hebben inmiddels ook andere landen en regio’s in verschillende werelddelen een emissiehandelssysteem voor reductie van broeikasgassen opgetuigd.
Op dit moment is het beleidskader zo dat er vanaf 2040 geen emissierechten meer uitgegeven worden. Het systeem is dus al zo’n twintig jaar actief, en zal volgens de huidige plannen nog zeker vijftien jaar dienst doen. Het emissieplafond van het systeem daalde nog nooit zo hard als nu. Er komen in het huidige debat ook al stemmen op voor een levensduurverlenging van het emissiehandelssysteem na 2039. Hierdoor kan er op termijn een markt ontstaan voor negatieve emissies.
Het EU ETS heeft in twintig jaar tijd een onmisbare bijdrage geleverd aan de energietransitie. Het systeem heeft ervoor gezorgd dat de goedkoopste mogelijkheden voor emissiereductie hebben plaatsgevonden. Dat betekent inherent ook dat de noodzakelijke duurdere keuzes voor emissiereductie nog moeten plaatsvinden. De emissieprijs is hierin sturend. Vanaf 2027 zal een tweede, losstaand emissiehandelssysteem in werking treden: ETS-2. Dit emissiehandelssysteem zal toezien op de emissiereductie van de transportsector, de gebouwde omgeving en de kleinere industrie.
Dit themarapport geeft een overzicht van de historische beleids- en prijsontwikkelingen van het EU ETS. Daarnaast wordt duiding gegeven aan de verduurzaming binnen het EU ETS en wat mogelijke implicaties zijn voor de markt. Tot slot wordt inzicht gegeven in de ontwikkelingen met betrekking tot ETS-2.
De Europese Unie (EU) kent verscheidene beleidsmaatregelen om thema’s zoals het halen van de klimaatdoelstellingen aan te pakken. Een van deze maatregelen is het beprijzen van CO2-uitstoot door middel van het EU Emissiehandelssysteem (EU ETS). Dit systeem is in 2005 ingesteld om door middel van beprijzing bedrijven te stimuleren te verduurzamen. Een maatregel die door de industrie wordt toegejuicht en tot op heden ook goed blijkt te werken.
Doordat CO2-prijzen niet overal worden gehanteerd, ervaren bedrijven die wel onder zo’n schema vallen een concurrentienadeel. Daarom ontvangen veel van de sectoren die onder het EU ETS vallen momenteel nog gratis emissierechten om concurrerend te blijven met vergelijkbare producenten in veel niet-Europese landen. Sommige sectoren kosten simpelweg meer tijd om te verduurzamen dan andere. Toch wil de Europese Commissie (EC) van deze gratis emissierechten af, en heeft met het ‘Carbon Border Adjustment Mechanism’ (CBAM) een maatregel bedacht die het gelijke speelveld in stand moet houden en weglekrisico’s moet tegengaan.
Het CBAM legt een heffing op de kostprijs van goederen en beprijst daarmee ook de uitstoot die vrijkomt bij het produceren buiten de EU. Hieronder vallen diverse productgroepen, namelijk ijzer en staal, meststoffen, cement, aluminium, elektriciteit en waterstof. CBAM is geïntroduceerd in drie fases om deze gratis emissierechten, tijdens het afbouwen van de hoeveelheid hiervan, te vervangen. Naarmate het aandeel gratis emissierechten afneemt, nemen de kosten voor CO2-uitstoot toe. De CBAM-regeling geldt voor importeurs van CBAM-goederen die buiten de EU geproduceerd zijn. Hierdoor worden producten die niet in de EU geproduceerd zijn net zoveel beprijsd voor de uitstoot als Europese goederen die binnen de EU worden geconsumeerd.
Waar in de basis CBAM een goed idee is om een heffing te implementeren op goederen die geproduceerd zijn buiten de EU, en daarmee de Europese industrie te beschermen en tegelijkertijd de positieve werking van Europees klimaatbeleid te vergroten naar het mondiale klimaatbeleid, zijn er ook verbeterpunten te vinden. Zo is CBAM enkel gericht op de import van grondstoffen die onder de heffing vallen naar de EU en houdt het geen rekening met export. Ook houdt de regeling geen rekening met het gegeven dat de kostprijsberekening voor een product dat buiten de EU is geproduceerd anders is dan voor een product dat binnen de EU is geproduceerd. Verder wordt er wel een heffing berekend over de grondstoffen, maar niet over de producten die geïmporteerd worden waar deze grondstoffen al in verwerkt zijn. Deze en enkele andere tekortkomingen beschrijven we in dit rapport.
Tot slot komen we met enkele aanbevelingen die de werking van het CBAM zouden verbeteren en het eigenlijke doel – een gelijk mondiaal speelveld voor de Europese producenten én het stimuleren van verduurzaming met behulp van beprijzing – overeind houden.
Nederland heeft lange tijd gegolden als een goede vestigingsplaats voor de energie-intensieve industrie. Zo is de Nederlandse glastuinbouw zeer omvangrijk, zijn er meerdere industriële clusters gevestigd, en heeft de Rotterdamse haven een grote aantrekkingskracht op onder andere chemie en raffinaderijen. Deze industriële capaciteit is – met haar hoge arbeidsproductiviteit – van aanzienlijk belang voor de Nederlandse economie in brede zin. Niet alleen vanwege de grote indirecte werkgelegenheid, maar ook omdat het de basis vormt voor de maakindustrie, die producten als windmolens en kunstmest maakt. Deze producten leveren een belangrijke bijdrage aan de strategische autonomie van Nederland en Europa, waardoor de basisindustrie van belang is voor bijvoorbeeld het slagen van de energietransitie en stabiliteit in de voedselvoorziening.
Recentelijk zien we een reeks ontwikkelingen die het gunstige vestigingsklimaat van Nederland negatief beïnvloeden, in het bijzonder voor de energie-intensieve industrie. Nederlandse bedrijven hebben, net zoals in de rest van Europa, te maken met hoge gas- en elektriciteitsprijzen als gevolg van de sancties die zijn ingevoerd na de Russische inval van Oekraïne. Dit is vaak wel twee tot drie keer zoveel als Amerikaanse bedrijven betalen. Waar in onze omringende landen de overheid deze sectoren tegemoet probeert te komen met belastingvoordelen, heeft de Nederlandse overheid juist besloten om gas en elektriciteit voor grootverbruikers met enkele maatregelen duurder te maken. Ook heeft de Nederlandse overheid de afgelopen jaren met wisselend beleid laten zien dat zij geen consequente langetermijnvisie heeft op waar ze heen wil met de industrie. Sommige maatregelen staan op gespannen voet met andere. Als gevolg hiervan weet de energie-intensieve industrie niet goed waar ze aan toe is. Dit leidt ertoe dat hoofdkantoren in het buitenland investeringsbeslissingen uitstellen of verplaatsen naar locaties buiten Nederland.
Waar Nederland steeds minder aantrekkelijk wordt voor industriële productie ten opzichte van haar buurlanden, geldt dat ook voor Europa als geheel. Naast de betaalbaarheid is de leverings- en/of voorzieningszekerheid van energie voor Europese bedrijven omgeven met toenemende risico’s. Europa is op het gebied van nagenoeg alle brandstoffen bijna volledig afhankelijk van import. Daarnaast kennen andere industriële grootmachten uitgebreide stimuleringsprogramma’s van de overheid, zoals de Inflation Reduction Act (IRA) in de Verenigde Staten (VS) en vergelijkbare programma’s in China. De Europese Unie (EU) is een stuk minder scheutig met zulke staatssteun en komt in plaats daarvan vooral met verplichtingen voor bedrijven (zoals CSDDD en CSRD), welke meer administratie en controles vereisen en daarmee voor hogere kosten zorgen. Dit past in een breder plaatje in Europa, waarbij (fossiele) energie-intensieve bedrijven langzaam maar zeker hun maatschappelijke license-to-operate dreigen te verliezen. De focus ligt hier sterk op klimaatbeleid, waarbij de politiek betaalbaarheid, beschikbaarheid, en strategische onafhankelijkheid een minder hoge prioriteit geeft dan in andere werelddelen.
In dit rapport kijken we naar de recente ontwikkelingen en beschrijven we de redenen voor het veranderende investeringsklimaat. Dit overzicht is nodig om tot de juiste strategische keuzes te komen ten behoeve van het Nederlandse investeringsklimaat. Voor de industrie, maar misschien ook wel voor het bedrijfsleven in het algemeen. Het hebben van geen langetermijnvisie is ook een keuze, maar wel een met mogelijk grote consequenties.
Tijdens een vakantie aan de Franse Côte d’Azur valt het contrast met Nederland direct op: waar wij worstelen met netcongestie en stijgende energiekosten, lijkt Frankrijk dankzij decennialange investeringen in kernenergie een stuk zorgelozer. De belangrijkste les: de energietransitie vraagt niet alleen om plannen en ambitie, maar vooral om lef, investeringen en politieke volharding.
De afgelopen twee weken heb ik – na een hectisch voorjaar op de energiemarkten – even afstand genomen met een vakantie aan de Côte d’Azur. Daar waar het Franse leven in rustig voortkabbelt, en waar zon, wijn en terrassen het leven goed maken. De lokale jetset lijkt zich niet druk te maken over de kosten van benzine of diesel; de enorme motorjachten varen af en aan in de pittoreske haventjes.
Ook over het gebruik van elektriciteit lijkt de gemiddelde Fransman zich niet druk te maken. De eerste dagen kon de airco ’s avonds mooi op de verwarmingsstand tijdens de laatste frisse voorjaarsavonden van het jaar. Maar al snel arriveerde de zomer in volle glorie en stegen de temperaturen. De airco’s gingen op de koelstand, en pruttelden op volle toeren. Netcongestie, te hoge kosten en een overheid die oproept om tussen 16.00 en 21.00 zo min mogelijk stroom te gebruiken zijn niet aan de orde.
In Nederland zijn de wachtlijsten voor een aansluiting of uitbreiding tot ongekende lengte gegroeid. In Frankrijk daarentegen worden bedrijven gelokt met de belofte van stabiele én grotendeels koolstofarme elektriciteit. Niet in de minste plaats als gevolg van haar 57 kernreactoren, die voor bijna 70% van de elektriciteit zorgen. Voeg daar nog wat zon- en windenergie bij, en het is voor menig land een toonbeeld van hoe een mix van lokale en duurzame energie eruit kan, en misschien wel móét zien.
“Een té grote afhankelijkheid van energie-import, maakt je als land kwetsbaar”
Natuurlijk weet iedereen dat een energietransitie niet hetzelfde is als een transformatie, en dat er veel tijd (en geld) nodig is om een succesvolle transitie te maken naar een goed (lees: betrouwbaar) nieuw energiesysteem. De Fransen gingen immers ook niet over een nacht ijs.
Hoewel de eerste kerncentrale in Marcoule werd opgestart in 1956, werd Frankrijk pas echt een grootmacht op dit gebied vanaf de jaren 80. Na de oliecrisis in 1973 nam de Franse regering het besluit om in te zetten op meer energieonafhankelijkheid. De oliecrisis toonde immers aan dat een té grote afhankelijkheid van import je als land kwetsbaar maakt. Iets dat vandaag de dag weer bijzonder actueel is, en waarmee maar weer is aangetoond dat de geschiedenis zich altijd herhaalt.
Als de geschiedenis zich zo vaak herhaalt, dan zou je verwachten dat men er dus ook lessen uit trekt. Een ezel stoot zich immers niet twee keer aan dezelfde steen. En hoewel na de ramp in Fukushima (2011) de opinie ten aanzien van kernenergie in Europa ook veranderde (denk aan de Atom-ausstieg in Duitsland), had Frankrijk vooral andere zorgen. De oude reactoren lieten slijtage zien en hadden daarmee meer onderhoud nodig. Daar komt steeds vaker het probleem van droogte of te warm koelwater bovenop. Toch heeft het president Macron er niet van weerhouden om opnieuw fors in te zetten op kernenergie. Zijn plannen zetten in op nieuwe reactoren (EPR2) en het bouwen van kleine modulaire reactoren (SMR’s).
“Transities kosten tijd en geld. En het vergt politieke moed om dat te erkennen, en te verkopen aan je achterban”
Het is een van de vele voorbeelden die laten zien dat je met visie, lef en inzet een heel eind komt. De Fransen trokken lessen uit de oliecrisis en namen zich in 1973 voor om dit niet meer te willen. Daarom zetten zij vol in op investeringen die zich in de decennia daarna, tot op de dag van vandaag, uitbetaalden. Een beetje vergelijkbaar met de Nederlandse stormvloedkering, die ook gebouwd werd nadat er lessen werden getrokken uit het verleden en waar we nog steeds profijt van hebben.
De recente lessen liggen voor het oprapen. De COVID19-crisis toonde aan dat je niet te importafhankelijk wilt zijn van kritieke goederen (zoals mondkapjes). De Energiecrisis (2021/heden) toont aan dat een te grote afhankelijkheid van energie-import uit één land niet handig is op het moment dat je daarmee in conflict komt.
Hoewel we de afhankelijkheid van olie- en gasimporten uit Rusland rap hebben afgebouwd, is deze inmiddels ingeruild voor een te grote afhankelijkheid van de VS. Een land dat met handelstarieven zwaait en dreigt bij geen akkoord die tarieven te koppelen aan de leveringszekerheid van LNG aan Europa. Ook China dreigt geregeld de levering of verwerking van kritieke metalen stop te zetten of te verminderen.
Opnieuw wordt er daarom in Europa gesproken over meer energieonafhankelijkheid. De visie is er. Echter, het lef en de inzet blijven flink achter. Transities kosten tijd en geld. En het vergt politieke moed om dat te erkennen en te verkopen aan je achterban. Kosten gaan voor de baat uit. Nu blijven we nog te veel hangen in pleisters plakken en tijdelijke maatregelen, terwijl juist grote langjarige investeringen moeten worden opgeschaald.
“De energietransitie realiseer je niet vanuit bed”
Zaterdag 4 juli start de 113e Tour de France. Met deze keer maar liefst twee keer een finish op de Alpe d’Huez, de door ons geclaimde ‘Nederlandse berg’. Iets wat me doet denken aan een beroemde uitspraak van de Nederlandse Tourheld Joop Zoetemelk. Hij zei in 1980 dat je de Tour wint in bed. Zoetemelk bedoelde daarmee dat alleen door goed te rusten en tijd te nemen voor herstel je zo’n veldslag kan uithouden en dus kans maakt op de winst.
De energietransitie realiseer je niet vanuit bed. Maar net als bij de Tour de France heb je wel een plan nodig, een team om dit te realiseren en tijd voor zo nu en dan een pas op de plaats om de hele rit te kunnen afronden. Plannen hebben we in Europa (en Nederland) genoeg. Nu nog het lef en de inzet om dit te realiseren. Dat vergt vastberadenheid, veel geld, en moed.
Vastberaden om er jarenlang vol voor te gaan. Geld om onrendabele toppen te dekken en het bedrijfsleven in staat te stellen om de transitie ook fysiek te realiseren. En moed om dit aan de burger – en dus de kiezer – te blijven uitleggen, ook bij tegenwind of valpartijen. Kortom, niet met een Franse slag, maar wel met een Franse inzet!
Hans van Cleef is hoofd Energie-onderzoek bij EqoLibrium (deze column is geschreven op persoonlijke titel)
Extreme prijsschommelingen op de elektriciteitsmarkt lijken het nieuwe normaal. Van sterk negatieve prijzen bij overaanbod tot pieken bij schaarste: het systeem kraakt onder zijn eigen dynamiek. Toch zit de oplossing niet in meer marktinterventie of in het splitsen van de markt in een voor hernieuwbare elektriciteit en een voor aardgas. De oplossing zit vooral in slimme keuzes, want de belangrijkste knoppen om kosten te sturen zijn al in handen van de overheid.
Eind vorige maand was het weer zover. De elektriciteitsprijs daalde tot een record van minus 550 euro in nagenoeg heel Noordwest-Europa. Een combinatie van wind, flink wat zon en minder vraag maakte dat alle benodigde elektriciteit diverse uren achtereen met hernieuwbare energiebronnen kon worden opgewekt.
Het was zelfs zó veel, dat het leidde tot een stevig overaanbod van elektriciteit. Negatieve prijzen zijn immers altijd het gevolg van een onbalans tussen vraag en aanbod. Te veel aanbod leidt tot de noodzaak van afschakeling om het net in balans te houden. En daarom moet de netbeheerder flink in de buidel tasten om partijen te verleiden meer te gebruiken en, als dat niet volledig lukt, om af te schakelen.
Het is het nieuwe normaal. Niet alleen negatieve prijzen, maar vooral steeds vaker een onbalans tussen vraag en aanbod. Nu zijn de prijsbewegingen bij elektriciteit vele malen heftiger dan bijvoorbeeld op de olie- en gasmarkt. De elektriciteitsmarkt moet immers altijd – dus iedere seconde – op 50 Hertz stabiel zijn. Dat vergt heel veel balancering. Voor grondstofmarkten zoals olie- en gas ligt het net even anders. Ook daar zoeken markten naar een vraag/aanbodbalans op basis van de meest kostenefficiënte mix met flinke prijsbewegingen als gevolg. Toch luistert dat allemaal net wat minder nauw.
Onlangs zagen we in het VK een oproep van de nationale netbeheerder NESO (zeg maar de TenneT van het VK) richting huishoudens om meer elektriciteit te gebruiken komende zomer. Niet alleen om te profiteren van de lage elektriciteitsprijzen en het net te balanceren, maar ook om daarmee flinke afschakelvergoedingen aan producenten uit te sparen. Meer verbruik leidt dan tot lagere kosten. Dit in tegenstelling tot de oproep vanuit Brussel en het Internationaal Energieagentschap richting verbruikers van gas, olie en olieproducten. Daar zien we juist krapte als gevolg van de oorlog in Iran, en zou een lager verbruik bijdragen aan het balanceren van de markt.
Tegelijkertijd willen beleidsmakers hier soms ook in doorslaan. Net als tijdens de energiecrisis in 2021/22 wordt er weer gepleit om de elektriciteits- en gasmarkt los te koppelen. Sterker nog, in het VK gaan ze het – tegen alle adviezen in – ook echt proberen. De gasprijs is immers hoog als gevolg van de Amerikaanse/Israëlische oorlog tegen Iran. En als de wind minder waait en de zon minder of niet schijnt, dan zijn het voornamelijk de gascentrales die ons elektriciteitsnet in balans houden. En die kosten geld. En niet alleen omdat de gasprijs nu hoger ligt, maar omdat deze in steeds minder uren hun businesscase rond moeten rekenen. Lukt dat niet, dan zou er geen incentive meer zijn om de centrales überhaupt beschikbaar te houden voor het geval ze nodig zijn.
En daar begint de denkfout bij beleidsmakers. Het idee van het loskoppelen van de elektriciteits- en gasmarkt is dat de prijs van elektriciteit soms te hoog is als er gas in de mix nodig is. Immers, álle elektriciteitsprijzen worden dan afgerekend tegen de kostprijs van de hoogste bieder: meestal gas. Dat zou leiden tot te hoge prijzen voor de consument.
Het blijft een vreemd principe dat we het blijkbaar prima vinden dat er negatieve prijzen gelden ten tijde van overaanbod, maar moeite hebben met hogere prijzen ten tijde van een tekort. Ongeacht het scenario zijn er winnaars en verliezers in de markt. Bij negatieve prijzen verdienen investeerders in zon- en windenergie niets en voelen beleidsmakers zich zelfs geroepen om met subsidies nog meer investeringen los te weken. Bij hoge prijzen worden partijen die op dat moment winst maken bijna weggezet als crimineel, terwijl je eigenlijk dankbaar zou moeten zijn dat zij tegen een hogere prijs ‘het probleem van tekorten’ oplossen.
Het selectief wel of niet ingrijpen in markten leidt niet alleen tot onduidelijkheid op financiële markten en verkeerde prikkels bij vraagsturing en investeringen in energiebronnen. Het leidt vooral tot een inefficiëntere markt. Door een loskoppeling van gas en elektriciteit moeten er twee separate markten ontstaan. Met ieder hun eigen vraag/aanbodbalans, hun eigen back-up-systemen ten behoeve van leveringszekerheid en regels en toezicht. En dat terwijl de liquiditeit op die markten lager zal zijn.
Dat de consument soms meer betaalt voor gas als back-up of het afschakelen van hernieuwbare energiebronnen bij overaanbod, is het gevolg van de huidige elektriciteitsmix. Wil je nooit gas in de mix? Dan moet je nog meer hernieuwbare elektriciteitsbronnen neerzetten. Dat leidt dan in veel gevallen tot vaker negatieve prijzen, waardoor de business case helemaal niet meer uit kan zónder bijpassende groei van de vraag naar elektriciteit. Wil je daarentegen toch een vaste prijs? Sluit dan als huishouden een vast contract af, of neem als bedrijf een Power Purchase Agreement (vaste prijs) of een Contract for Difference(variabele prijs binnen een bandbreedte).
Het opsplitsen van markten en het daarmee nog complexer maken, is een recept voor onzekerheid als gevolg van nog meer volatiliteit met veel hogere en veel lagere prijzen. En dat terwijl de energierekening vooral bepaald wordt door energiebelastingen, nettarieven, transportkosten en btw. Dus áls de overheid al iets wil doen aan hoge prijzen, dan hebben zij de belangrijkste instrumenten zelf al in handen.
Hans van Cleef is hoofd Energie-onderzoek bij EqoLibrium (deze column is geschreven op persoonlijke titel en eerder geplaatst bij Studio Energie Opinie)
Wie oproepen tot energiebesparing nog wegzet als betutteling, kijkt weg van de realiteit. Terwijl mondiale tekorten snel oplopen en de crisis zich verdiept, blijft Nederland hangen in zelfgenoegzaamheid. Die onderschatting is niet alleen naïef, maar kan ons straks duur komen te staan.
Ruim een week geleden waarschuwde Fatih Birol, directeur van het IEA, voor de grootste energiecrisis in decennia. De impact kan groter worden dan die van de oliecrises uit de vorige eeuw samen. Daarom presenteerde het IEA een 10-puntenplan om energie te besparen. Iedere dag dat de oorlog voortduurt, nemen de mondiale tekorten aan olie, olieproducten en gas toe.
Het IEA gaf al ruim 400 miljoen vaten olie (van de 1,6 miljard) vrij uit strategische reserves en overweegt dit verder te verhogen. Toch is dat bij lange na niet voldoende om het wegvallen van export uit landen rond de Perzische Golf op te vangen. Voor gas hebben we geen strategische voorraden.
“Zelfs als er morgen vrede is, duurt het nog lang voordat de situatie normaliseert”
Eurocommissaris voor Energie Dan Jørgensen stelde deze week dat EU-landen moeten nadenken over energiebesparende maatregelen vanwege een mogelijk langdurige verstoring van de internationale energiehandel. Terecht wees hij erop dat een situatie waarin de olie- en gasexporten uit de regio weer zijn zoals voor de oorlog nog lang op zich laat wachten, zelfs bij een snelle vrede.
Cruciale gasinfrastructuur in Qatar is geraakt en herstel kan maanden tot jaren duren. Daarnaast liggen honderden tankers stil in de Perzische Golf. Uit de periode na de COVID-lockdowns weten we hoe lang het duurt voordat mondiale scheepvaart weer op volle capaciteit draait.
“Kijken naar alleen nationale gevolgen is niet alleen te kortzichtig, maar ook egoïstisch”
“Betuttelend”, noemde VVD-fractievoorzitter Brekelmans de oproepen van het Internationaal Energieagentschap (IEA) en de Europese Commissie om zuiniger om te gaan met energie. Het klinkt een beetje als: ‘Gaat u maar rustig slapen, de crisis verergert ook wel zonder u.’ Toch blijven de discussies over tekorten zich hier opvallend vaak beperken tot Nederland. Dat is niet alleen kortzichtig, maar ook egoïstisch. Energiemarkten zijn immers mondiaal. Verstoringen elders werken door op de wereldmarkt – en dus ook hier.
Nederland is bovendien geen doorsnee land in dit systeem. Onze rol als doorvoerland en gasrotonde maakt ons enerzijds weerbaarder: met havens, infrastructuur en raffinaderijen blijven fysieke tekorten hier mogelijk langer uit. Anderzijds maakt diezelfde positie ons kwetsbaarder voor prijsschommelingen en internationale ontwikkelingen.
De fysieke tekorten worden nu al gevoeld in armere Aziatische landen. Rijkere landen in die regio bieden actief op tegen Europese spelers om schaarse brandstoffen veilig te stellen. LNG-tankers die oorspronkelijk naar Europa onderweg waren, wijzigen hun koers richting Azië.
Dankzij resterende voorraden (hoewel voor gas historisch laag), lagere seizoensvraag en onze financiële slagkracht merken wij voorlopig vooral hogere prijzen. Maar het is naïef om te denken dat de crisis hier haar piek al heeft bereikt – en egoïstisch om alleen naar onze eigen situatie te kijken.
“Waar de vergelijking met de energiecrisis van 2022 compleet mank gaat, is de aanname dat we nu al op de piek zouden zitten”
De vergelijking met de energiecrisis van 2022 wordt vaak gemaakt, maar gaat op belangrijke punten mank. Ook toen stortten we met z’n allen in een energiecrisis nadat de Russische invasie van Oekraïne leidde tot wederzijdse sancties, en de aanvoer van olie en gas richting Europa in rap tempo moest worden afgebouwd.
Toch zijn er ook grote verschillen. Er wordt nu veel gewezen op het gegeven dat de huidige gasprijzen bijvoorbeeld nog lang niet zo hoog zijn als tijdens de piek in augustus 2022. En dat klopt. Inderdaad liggen de huidige gasprijzen nog ver onder de piek van augustus 2022, toen prijzen opliepen tot circa €306 per MWh. Momenteel schommelen ze rond de €50. Maar dat is nog steeds een verdubbeling ten opzichte van enkele maanden geleden.
In 2021 begonnen de gasprijzen al in de zomer te stijgen, aanvankelijk zonder duidelijke oorzaak. Later bleek dat Gazprom opzettelijk de Europese gasvoorraden niet aanvulde. Dat leidde tot krapte in de winter van 2021-2022. De Russische invasie van Oekraïne verscherpte de situatie verder, maar de echte prijspiek kwam pas maanden later, toen Europa besloot de gasvoorraden ‘koste wat kost’ te vullen.
De huidige crisis bevindt zich nog in een vroege fase. De oorlog tussen de VS/Israël en Iran duurt pas enkele weken, terwijl prijzen nu al zijn verdubbeld. Ter vergelijking: in week zes van de vorige crisis zaten we nog ver onder het niveau dat later de piek bleek. En ook nu staan we op het punt de gasvoorraden weer te vullen. Nog even los van het feit dat er deze keer veel meer energiegerelateerde brandstoffen en grondstoffen – zoals diesel, kerosine, stookolie, helium, methaan en kunstmest – geraakt worden.
“De kans is groot dat de ergste gevolgen van deze energiecrisis nog moeten komen”
Daarom is het onverstandig om internationale oproepen tot energiebesparing in ons land weg te zetten als betutteling. Als de crisis verder escaleert, kunnen steeds meer mensen hun energierekening niet meer betalen en kunnen er ook hier fysieke tekorten ontstaan. Energiearmoede is nu al een reëel probleem, ook in Nederland, en zal de komende maanden waarschijnlijk toenemen.
De angst om kiezers te verliezen of populisten in de kaart te spelen door (te) vroegtijdig op te roepen tot zuinigheid, kan later als een boemerang terugkomen. Want als maatregelen te laat komen, zijn de gevolgen groter en de kosten hoger – en die belanden uiteindelijk vaak bij de belastingbetaler.
Mijn advies aan beleidsmakers is daarom simpel: wees eerlijk over de ernst van de situatie en kies voor voorzichtigheid. Liever nu te risicomijdend dan later gedwongen worden tot drastische maatregelen. Want de energiecrisis is nog lang niet voorbij. Sterker, mogelijk staan we pas aan het begin.
Hans van Cleef is hoofd Energie-onderzoek bij EqoLibrium (deze column is geschreven op persoonlijke titel en werd eerder gepubliceerd bij Studio Energie Opinie.)
De roep om meer Europese samenwerking klinkt steeds luider nu geopolitieke spanningen toenemen. Energiezekerheid speelt daarin een centrale rol. Recente afspraken over wind op zee lijken een belangrijke stap, maar verhullen een ongemakkelijke waarheid: zonder een stevige inzet op elektrificatie van de vraag blijft meer opwek vooral een kostbare schijnoplossing.
Afgelopen week kondigden diverse regeringsleiders in Hamburg groots aan dat landen meer gaan samenwerken op het gebied van windenergie. Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Denemarken, België, IJsland, Ierland, Luxemburg én Nederland spraken af om 100 gigawatt (GW) aan gezamenlijke wind-op-zeeprojecten te bouwen. Dit als onderdeel van de bestaande ambitie om in 2050 in totaal 300 GW aan wind op zee te hebben staan.
Het bericht werd met veel gejuich ontvangen. Terecht, want er lijkt eindelijk een besef door te dringen dat meer Europese samenwerking in een snel veranderende geopolitieke wereld geen overbodige luxe is. Enkele dagen eerder dreigde president Trump nog een aantal EU-landen met verhoogde importtarieven omdat zij – als NAVO-leden – militairen hadden gestuurd naar Groenland.
“Onze trouwste bondgenoot laat ons Europeanen steeds vaker in de steek”
Hoewel die verhitte discussie voorlopig is bekoeld, groeit het besef dat onze trouwste bondgenoot ons op veel vlakken – waaronder defensie, IT en energie – steeds vaker in de steek laat. Meer strategische autonomie is daarom verstandig, óók als het gaat om onze energievoorziening.
Dat is een les die we eigenlijk al hadden kunnen – of beter moeten – leren tijdens de energiecrisis als gevolg van de oorlog tussen Oekraïne en Rusland. Die oorlog leidde tot een ‘snelle’, gedwongen afbouw van onze afhankelijkheid van Russisch gas. Hoewel toen de ambitie voor 300 GW aan wind op zee ontstond, leidde dat nog niet tot veel concrete actie.
De reden daarvoor kent u. Windtenders werden een flop, mede omdat windenergie de afgelopen jaren fors duurder is geworden. Hogere kosten voor materialen en arbeid, gecombineerd met overheden die geld wilden verdienen aan tenders, maakten de businesscase onrendabel. Zonder subsidies komt extra wind, ook op zee, simpelweg niet van de grond.
In het VK bleken nieuwe windprojecten wel weer mogelijk – mét subsidie. Ook in Nederland heeft demissionair minister Hermans maximaal vier miljard euro vrijgemaakt voor een nieuwe windtender van 1 GW. Een snelle rekensom leert dan hoeveel geld nodig is voor 100 GW, laat staan 300 GW. En dan is de benodigde infrastructuur nog niet eens meegerekend.
“We importeren helemaal geen elektronen, maar moleculen”
Veiligheid mag wat kosten. Willen we minder afhankelijk zijn van energie-import, dan zullen we meer energie zelf moeten winnen en opwekken. Toch wringt hier de schoen. We importeren namelijk geen elektronen uit Rusland of de VS, maar moleculen in de vorm van olie en gas. Met de bouw van extra windparken los je dat probleem dus bij lange na niet op.
Sterker nog, bij harde wind en zon hebben we nu al te veel hernieuwbare elektriciteit en moet er worden afgeschaald. De echte sleutel tot minder geopolitieke afhankelijkheid ligt daarom niet primair in méér opwek, maar in de elektrificatie van onze energievraag. Zonder vraag is extra aanbod onzinnig en een verspilde investering.
Toch maken regeringen opnieuw dezelfde fout als in de afgelopen jaren. De gedachte dat meer aanbod vanzelf leidt tot meer vraag, heeft tot op heden weinig opgeleverd. De elektriciteitsvraag is al jaren stabiel. De verduurzaming komt dus niet van de grond door extra groen aanbod, wel door het verplaatsen van CO2-uitstoot.
Deze regeringen hadden er daarom beter aan gedaan om de verdere elektrificatie van de energievraag actief te stimuleren. Meer vraag naar elektronen leidt vanzelf tot een betere businesscase voor de opwek van groene elektriciteit.
“Wil je geopolitiek minder afhankelijk worden, moet je zorgen dat de industrie in Europa blijft”
Wil je geopolitiek minder afhankelijk worden, dan moet je ervoor zorgen dat de industrie in Europa blijft en je meer afhankelijk wordt van import. Dat vraagt om tijd en ruimte voor bedrijven om concurrerend te blijven en te verduurzamen via elektrificatie, net als in de gebouwde omgeving. Alleen als die extra vraag naar elektriciteit wordt gegarandeerd, ontstaat er ook daadwerkelijk behoefte aan meer eigen hernieuwbare opwek, inclusief wind op zee.
In de aankondiging in Hamburg werd wel gesteld dat regeringen elektrificatie willen stimuleren, maar waar de 100 GW aan gezamenlijke windprojecten krachtig en vastberaden werd gepresenteerd, bleef deze kant van de transitie opvallend vaag. Dat is deels begrijpelijk: we hebben haast. De verduurzamingsdoelen botsen met de tijd die grootschalige elektrificatie nu eenmaal kost.
De benodigde CO2-reductie om de doelen te halen gaat sneller dan de industrie technisch kan realiseren. Weglek is het gevolg. Wie bovendien de afhankelijkheid van energie-import wil afbouwen, moet accepteren dat bedrijven en huishoudens dit niet alleen kunnen en financiële steun nodig hebben, en dat het dus per definitie duurder wordt. Zelfstandigheid, veiligheid en het afbouwen van efficiënte wereldhandel kosten nu eenmaal veel geld. En die kosten zullen we gezamenlijk moeten dragen.
“Alleen als je alles tegelijk aanpakt, kunnen we ons hopelijk staande houden in de veranderende wereldorde”
De politieke belofte dat we dit niet in de portemonnee mogen voelen, is dan ook een loze belofte. De rekening neerleggen bij ‘de grote vervuilers’ – vaak gewoon onze werkgevers – leidt niet tot verduurzaming, maar tot verschraling van onze industrie en daarmee onze economie. Het wegjagen van de industrie maakt ons ogenschijnlijk minder afhankelijk van geïmporteerde moleculen, maar juist afhankelijker van halffabricaten en geïmporteerde goederen. Het ‘voordeel’ is dat we onze nationale klimaatdoelen halen. Een typisch geval van: operatie geslaagd, patiënt overleden.
Ik hoop daarom oprecht dat het nieuwe kabinet het grotere plaatje blijft zien. En dat Europese regeringsleiders blijven beseffen dat samenwerking de enige weg vooruit is als het gaat om veiligheid – niet alleen defensie, maar ook leveringszekerheid van energie en economische weerbaarheid. Niet alleen het laaghangende fruit, zoals energieaanbod, maar het volledige pakket, dus inclusief vraag naar elektronen én infrastructuur.
Zelfs als je hier vol op inzet, zal onze afhankelijkheid slechts geleidelijk afnemen. Een transitie kost tijd. Alleen door alles tegelijk aan te pakken, kunnen we ons als Europa stap voor stap minder afhankelijk maken van import en ons staande houden in een veranderende wereldorde. Doen we dat niet, dan blijven we speelbal in de machtsstrijd tussen de VS en China.
Deze column werd eerder geplaatst op LinkedIn voor Studie Energie Opinie.
Hans van Cleef is hoofd Energie-onderzoek bij EqoLibrium (deze column is geschreven op persoonlijke titel)
Hoewel het retourtje Route du Soleil door de meeste Nederlanders net gemaakt is, neem ik u graag alvast mee in een glazen bol naar de volgende zomer. Het is begin juli 2026 als de fameuze bordesscène de start van een nieuw kabinet inluidt. In lijn met de gemiddelde duur van de voorgaande drie formaties zal ook deze formatie zo’n 250 dagen geduurd hebben. Paleis Noordeinde laat zich op deze zonovergoten dag volstromen met vaderlandslievende persafgevaardigden. Een heuglijk moment, want ons land heeft na meer dan een jaar onzekerheid weer een landsbestuur.
Tegelijkertijd zal de kiezelharde politieke realiteit van bestuurlijke uitdagingen de vreugde van korte duur laten zijn. De kakelverse regering zal moeten doen wat het kan om de rijksbegroting tijdig te vervolmaken voor Prinsjesdag. Dat zal echter niet makkelijk worden, gezien de donkere wolk die vanaf 2027 boven de portemonnee van het volk zal gaan hangen. Enfin, tot zover mijn glazen bol.
Besturen na de zonneschijn
Glazen bollen kun je beter aan politici overlaten. Zij pretenderen immers: ‘Regeren is vooruitzien’. Daarmee wordt uiteraard bedoeld dat goed bestuur rekening houdt met toekomstige ontwikkelingen. Maar gebeurt dat wel voldoende? En als ze al rekening houden met de toekomst, zijn ze daar dan wel transparant over? In mijn ogen is juist die transparantie cruciaal om een vertrouwensband tussen volk en politici te onderhouden. Schiet je tekort, dan daalt het vertrouwen in de politiek en ligt het speelveld open voor populistisch gedachtegoed.
Daarom zou ik de populaire politieke frase graag willen uitbreiden als volgt; ‘regeren is vooruitzien én daarover transparant zijn’. Over zo’n anderhalve maand zetten we weer een rood kruisje in het stemhokje. Simpel op papier, maar een schrille tegenstelling met de complexiteit van de opgaven. Of het nu gaat om immigratie of de energietransitie. In tegenstelling tot wat populisten je graag doen geloven, is de werkelijkheid er nu eenmaal een van veelvormigheid en nuance.
Vooruitzien is niet genoeg
Ik pleit ervoor om die complexiteit juist bloot te leggen! En verkiezingstijd is daarvoor het aangewezen moment. Het volk verdient beter dan een ongenuanceerd populistisch zwart-wit denken. Door het volk juist in te lichten over de omvangrijkheid en complexiteit van nationale bestuurlijke uitdagingen, investeer je in een politiek-maatschappelijke vertrouwensband. Die vertrouwensband is cruciaal voor een adequaat landsbestuur dat ook politiek lastige, maar noodzakelijke keuzes kan verdragen.
Zo’n bestuurlijke uitdaging is een systeem dat pas in 2027 in werking treedt. Dat lijkt vandaag de dag wellicht een ver-van-je-bedshow. Toch is dit systeem een van de eerste onderwerpen waarvoor een nieuw kabinet rekenschap zal moeten geven. Het gaat over ETS2: een tweede emissiehandelssysteem naast het emissiehandelssysteem dat we sinds 2005 al hebben voor de elektriciteitssector en de industrie. Dit in de hele EU geldend wordende systeem heeft als doelstelling om CO2-uitstoot in met name het wegvervoer en de gebouwde omgeving omlaag te brengen.
De kosten van ETS2
Economisch gezien is het een slim systeem. Het maakt namelijk niet uit waar de CO2-reductie in de EU plaatsvindt. Daardoor kan de goedkoopste CO2-reductie als eerste plaatsvinden.
Het werkt als volgt: Het nieuwe emissiehandelssysteem verplicht energieleveranciers om de CO2-uitstoot van hun klanten af te dekken door emissierechten te kopen en af te boeken. Er is een gelimiteerd aantal emissierechten beschikbaar dat elk jaar afneemt. Deze emissierechten zijn verhandelbaar, waardoor er een prijs ontstaat voor deze rechten. De kosten die energieleveranciers – zowel voor warmte als voor brandstoffen – maken, zullen worden doorberekend aan de eindgebruiker. Ofwel, de energierekening voor de burger en de kosten aan de pomp lopen op.
Uit een brief van (inmiddels demissionair) minister Hermans van Klimaat en Groene Groei (van 4 november 2024) blijkt dat dit systeem tot een kostenopslag van zo’n 11-13 eurocent per liter benzine of diesel en 10 eurocent per kubieke meter aardgas kan leiden. Voor gemiddelde huishoudens telt dit op tot een paar honderd euro extra aan kosten vanaf 2027. Ofwel, de eerste indruk die een nieuw kabinet achter zal laten, is er een van rekeningen die met honderden euro’s oplopen. Het in werking treden van dit emissiehandelssysteem is praktisch vrijwel onomkeerbaar. Toch blijft de boodschap grotendeels onderbelicht.
Niet wegmoffelen, maar uitleggen
De bijkomende boodschap van een oplopende energierekening is dan wellicht ongemakkelijk. Toch zijn er juist politieke maatregelen te nemen om de impact te verkleinen, of de kosten daar te laten landen waar ze te dragen zijn. Het ETS2 is er voor gemaakt om een financiële prikkel te geven om mensen de overstap te laten maken van het gebruik van fossiele energiebronnen naar een CO2-neutrale voetafdruk.
Als die prikkel wordt gecombineerd met slimme aanvullende maatregelen op nationaal niveau, hoeft de pijn niet door iedereen gevoeld te worden. Een slimme aanpak kan mensen juist ontzien en helpen met een omschakeling naar een schone en betaalbare energierekening. Zo hoeft de boodschap – als hij maar op tijd en goed uitgelegd wordt – geen probleem te zijn voor de kiezer.
Het is dan dus wel van belang dat de kiezer wordt meegenomen in dit verhaal. Als je als politicus wat wilt doen aan het vertrouwen in de politiek, zijn de komende Tweede Kamerverkiezingen de uitgelezen kans om dit onderwerp bespreekbaar te maken.
Regeren is vooruitzien. Maar wees dan ook transparant! Doe je dat niet, dan is het risico dat je de verkiezingen eind oktober wint, maar dat je het vertrouwen onder je kabinet al kwijt bent voordat je goed en wel begonnen bent. Daarmee maak je de bodem opnieuw vruchtbaar voor het welig tieren van populistische wortels.
Begin dus niet met wegmoffelen, maar met uitleggen!
Deze column is op persoonlijke titel geschreven door Bart van der Pas.
Neem contact op met Hans van Cleef om te kijken wat EqoLibrium voor u kan betekenen.