Rapporten, updates en columns

Hier vindt u alle publicaties van EqoLibrium. Lees verder of download het bestand meteen.

Onderzoeksrapporten

29 april 2026

Impactstudie naar de gevolgen van de bijmengverplichting groen gas op de groengasproductie, de Nederlandse CO2-reductie, de welvaart en de consumentenprijs.

  • De beoogde stijging in groengasproductie is ambitieus, en alleen bij een efficiënte werking van de bijmengverplichting stijgt de productie genoeg om de verplichting te halen;
  • Wanneer groengasproductie in Nederland niet voldoende op gang komt, vindt de CO2-reductie in het buitenland plaats;
  • Als gevolg van de import van groengascertificaten stroom welvaart weg naar andere landen;
  • De bijmengverplichting leidt tot een stijging in de gaskosten voor de consument;
  • De inzet van aanvullend beleid is nodig om te garanderen dat de groengasproductie voldoendeopkomt en de business case van groengasproducenten sluitend is.

17 februari 2026

De Nederlandse chemiesector staat voor een grote omslag. Hoe zorgen we dat de productie van plastics en andere koolstofproducten in 2050 zowel circulair als concurrerend is? In het rapport Van Keten naar Kringloop laat Invest-NL zien welke technologische routes mogelijk zijn, welke keuzes daarbij horen en wat dat vraagt van beleid.

Koolstof is nodig voor producten als plastics, bouwmaterialen en hoogwaardige materialen. Nu komt die koolstof vooral uit olie en gas. Als Nederland in 2050 klimaatneutraal wil zijn, moet die fossiele koolstof stap voor stap worden vervangen door gerecyclede stromen, biogrondstoffen en koolstof uit CO2.

In opdracht van Invest-NL onderzocht EqoLibrium welke routes het meest kansrijk zijn en welke rol Invest-NL hierin kan spelen. De scenario-analyse helpt gericht investeringskeuzes te maken en om met overheid, industrie en andere financiers het gesprek te voeren over de noodzakelijke randvoorwaarden.

https://www.invest-nl.nl/nl/nieuws/van-keten-naar-kringloop-zo-maken-we-koolstofchemie-circulair

24 december 2025

Om afspraken uit het klimaatakkoord na te komen moeten in Nederland flinke stappen worden gezet om de uitstoot van CO2 te reduceren. Het gebruik van fossiele brandstoffen wordt zo veel mogelijk vervangen door het gebruik van duurzame alternatieven zoals hernieuwbare energie uit wind en zon. De energietransitie vraagt daarbij om een fundamenteel ander energiesysteem dan het huidige, dat onvoldoende voorbereid is op de groeiende energievraag.

Provincie Zeeland werkt samen met netbeheerders en gemeenten aan het opstellen van het Provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (PMIEK). In het PMIEK 2.0 zijn verschillende onderzoeks-, en verkenningsprojecten opgenomen. Eén van de onderzoeksprojecten betreft de gemeente Sluis. Sluis heeft een uniek profiel doordat de toeristische sector een grote invloed heeft op het gebruik van energie. Naast de reguliere vraag uit huishoudens en bedrijven zorgt het toerisme met name in de zomer en vakantieperiodes voor sterke verbruikspieken.

Tegelijkertijd is het landschap rond Sluis een belangrijke trekpleister voor toerisme, wat in bepaalde perioden van het jaar zorgt voor uitzonderlijk hoge pieken in de energievraag en het energieverbruik. Deze combinatie: groot en uitgestrekt buitengebied, een beperkte bevolkingsdichtheid en sterke seizoens-pieken maakt dat zowel vraagpatronen als ruimtelijke omstandigheden een belangrijke rol spelen bij het ontwerpen en het aanleggen van het toekomstige energiesysteem.

Er wordt in deze studie inzicht gegeven in hoe het energiesysteem in de gemeente Sluis in de toekomst kan worden ingericht. Op basis van modelberekeningen worden verschillende scenario’s voor de ontwikkeling van het energiesysteem met elkaar vergeleken. De scenario’s laten zien hoe keuzes rondom duurzame opwek, warmtepompen en netinpassing doorwerken in kosten, uitstoot en netbelasting.

Lessen uit de studie

Op basis van de modelberekeningen hebben de netbeheerder, de provincie Zeeland en de gemeente Sluis door deze studie inzichtelijk gekregen wat de knelpunten waren op het gebied van mogelijke netcongestie in een gemeente die wil doorgroeien én specifieke kenmerken heeft qua energievraag en -aanbod en locatie.

De voorziene problematiek rond de timing van de uitbreiding van het station Oostburg, heeft er mede toe geleid dat Stedin heeft besloten de uitbreiding van dit station enkele jaren naar voren te halen. Verder bleek uit de studie dat er diverse no-regret opties zijn voor de verduurzaming van de energiemix om:

a) de CO2-uitstoot te verlagen ten einde de gestelde klimaatdoelen te halen, en

b) die kostentechnisch het gunstigst zijn.

‘Meten-is-weten’ wordt vaak gezegd. Deze studie toont aan dat dit waar is. Door inzicht in de transitie en de mogelijke scenario’s die op tafel liggen door te rekenen, kunnen netbeheerders en beleidsmakers díe keuzes maken die het meest gunstig zijn. Gunstig voor de inwoners en voor het bedrijfsleven.

Een ander aspect is dat deze studie partijen echt bij elkaar heeft gebracht. Diverse partijen, zoals de netbeheerder, de provincie, de gemeente en lokale ondernemers waren vanzelfsprekend al vaker met elkaar in gesprek. Toch helpt een studie als deze bij het inzichtelijker maken van en het nadenken over onderwerpen die een gemeenschappelijke deler hebben en die iedereen belangrijk vindt. Hierbij blijkt meestal dat, als je oog hebt voor elkaars interesses en belangen en daarin open bent, er diverse doelen bereikt kunnen worden en helder is wie wat wanneer moet doen.

2 juli 2025

De energietransitie in Nederland zorgt voor een sterke toename in zowel de vraag naar als het aanbod van elektriciteit. Als gevolg hiervan vormt netcongestie een groeiend probleem: het treedt op wanneer de transportcapaciteit van het elektriciteitsnet op een bepaalde locatie onvoldoende is om te voldoen aan de vraag naar, of het aanbod van, elektriciteit. Dit leidt onder andere op bedrijventerreinen tot knelpunten. Bedrijven willen tevergeefs hun activiteiten uitbreiden, duurzame projecten worden vertraagd en andere bedrijven willen zich op een nieuwe locatie vestigen.

Uitbreiding van het elektriciteitsnet is de meest effectieve oplossing voor dit probleem, maar het duurt jaren voordat netuitbreidingen gerealiseerd zijn. Het huidige beleid om netcongestie aan te pakken heeft voorlopig slechts marginaal effect. Tegelijkertijd ontstaan er significante maatschappelijke kosten als gevolg van netcongestie doordat verduurzaming of bedrijfsuitbreiding niet kan plaatsvinden. Daarom zijn andere oplossingen noodzakelijk om de negatieve effecten van netcongestie tegen te gaan.

Opwek van lokale hernieuwbare energie kan verlichting bieden
Een mogelijke oplossing hiervoor is meer lokale opwek van hernieuwbare energie. Lokale energieopwekking op bedrijventerreinen, vaak in combinatie met batterijopslag of andere methoden die flexibiliteit bieden, kan namelijk bijdragen aan een verlichting van netcongestie. Hiervoor moet daarnaast vaak wel de piekvraag van het bedrijventerrein wordt verlaagd. Daarmee ontstaat er ofwel meer relatieve netruimte voor eigen gebruik, of kan de totale benodigde netcapaciteit omlaag ten gunste van andere gebruikers. Bedrijventerreinen zijn hiervoor uitermate geschikt vanwege hun schaalvoordelen en de samenhang van verschillende typen bedrijven, en dus verschillende typen energievraag.

Dit rapport onderzoekt daarom in hoeverre lokale productie van elektriciteit uit zon en wind op bedrijventerreinen een oplossing biedt voor congestieproblemen. Om dit te illustreren wordt de impact van lokale opwek voor twee typen bedrijventerreinen geanalyseerd middels een modelberekening. Voor beide bedrijventerreinen worden twee scenario’s van hernieuwbare opwek (een met en een zonder windenergie) vergeleken met het business as usual scenario. Het scenario waarbij een combinatie van zon én wind mogelijk is, wordt aangeduid met de naam Optimum. Ten slotte wordt het scenario zonder wind aangeduid met de naam Geen Wind. Het onderscheid tussen de twee typen bedrijventerreinen zorgt voor een bredere interpretatie van resultaten. De verschillende bedrijventerreinen betreffen hypothetische situaties, gebaseerd op echte data. Daarmee zijn deze bedrijventerreinen exemplarisch voor veel casussen in het land.

8 mei 2025

Het leveringszekerheidsrapport van TenneT (mei 2024) waarschuwt voor mogelijke problemen met de leveringszekerheid van elektriciteit in Nederland in 2033. Dit komt door een combinatie van een groeiende elektriciteitsvraag en een groter aandeel zon- en windenergie in de elektriciteitsmix. De afname van regelbaar productievermogen, zoals gascentrales, en het beperkte aanbod van andere vormen van flexibiliteit dragen bij aan deze dreiging. Dit probleem is ook zichtbaar in andere Noordwest-Europese landen, wat de urgentie vergroot om dit vraagstuk te adresseren.

In de huidige situatie vormen kolen- en gascentrales het belangrijkste regelbare vermogen. Echter, door het verbod op kolenenergie vanaf 2030, zal Nederland in 2033 afhankelijk zijn van hernieuwbare energie, import uit omringende landen, gascentrales en batterij-opslag om in de vraag te voorzien. De verwachting is dat er in 2033 ongeveer 9 GW aan gascentrales operationeel zal zijn, een daling van de huidige 12,5 GW. Het risico bestaat dat het aantal beschikbare gascentrales min of meer gelijktijdig zal afnemen, wat de leveringszekerheid ernstig zou kunnen bedreigen.

Het TEACOS-model, gebruikt in het rapport, berekende dat Nederland 23 GW regelbaar vermogen nodig heeft in 2033, oftewel 37,6 TWh op jaarbasis (gedurende 3.798 uur). Dit betekent dat Nederland voor 40% van de tijd afhankelijk zal zijn van import, gascentrales of industriële vraagsturing. De interconnectiecapaciteit voor import is met 13,8 GW een belangrijke bron, maar de beschikbaarheid van import op momenten van schaarste is niet gegarandeerd door concurrentie van andere landen en geopolitieke risico’s.

Batterijcapaciteit wordt gezien als een aanvullende oplossing, maar kan slechts voor korte periodes bijdragen en is beperkt door technische- en marktonzekerheden. De resterende behoefte aan regelbaar vermogen moet worden opgevangen door gascentrales, aangezien de andere opties onvoldoende capaciteit bieden.

De kosten van afschakeling of het verplaatsen in de tijd van industriële productie, vooral wanneer het verplicht wordt, kunnen hoog oplopen en negatieve gevolgen hebben voor bedrijven en huishoudens. In omringende landen zijn capaciteitsmechanismen ingevoerd, waarbij beschikbaarheid wordt beloond. Deze optie zou in Nederland ook kunnen helpen om leveringszekerheid te waarborgen tegen lagere maatschappelijke kosten.

Het rapport beveelt aan om een “verzekeringspremie” te creëren voor het beschikbaar houden van regelbaar productievermogen, vooral in de vorm van gascentrales, via bijvoorbeeld een capaciteitsmechanisme. Dit zou moeten helpen om te voorkomen dat Nederland afhankelijk wordt van onbetrouwbare import en de dure optie van vraagsturing. Daarnaast wordt geopperd om breder te kijken naar leveringszekerheid, waarbij niet alleen de kosten van vraagsturing maar ook de impact op waardeketens, investeringen en de betaalbaarheid van energie voor huishoudens en bedrijven wordt meegewogen.

Themarapporten

20 juli 2026

De ontwikkeling van het EU ETS kan worden gezien als een voortdurende zoektocht naar de balans tussen marktwerking en politieke sturing. Waar het systeem oorspronkelijk vooral was ontworpen als marktmechanisme waarin een schaarser wordend emissieplafond via prijsvorming investeringen in emissiereductie moest stimuleren, wordt het ETS steeds nadrukkelijker ingezet om ook bredere economische en industriële beleidsdoelen te ondersteunen. De recente herziening vormt daarmee niet alleen een volgende stap in de ontwikkeling van het systeem, maar markeert ook een verdere verschuiving in de rol van het EU ETS.

Deze analyse beschrijft eerst de ontwikkeling van het EU ETS en de belangrijkste voorgestelde wijzigingen die vooruitlopend op fase 5 zijn ingezet. Vervolgens wordt ingegaan op drie bredere inzichten uit de herziening; de politieke betekenis van ETS-opbrengsten, de ontwikkeling van het ETS richting een hybride beleidsinstrument en de toenemende onzekerheid over de toekomstige rol van de ETS-prijs als investeringssignaal.

27 februari 2025

Op woensdag 26 februari publiceerde de Europese Commissie haar langverwachte Clean Industrial Deal (CID). Dit beleidspakket vormt een antwoord op de uitdagingen van de EU met betrekking tot geopolitieke spanningen, trage economische groei, en technologische competitie. Binnen de CID wordt beleid rond betaalbare energie als hoeksteen bestempeld. Dit is vormgegeven in het Action Plan for Affordable Energy (AEA). Deze pakketten hebben concreet als doel om de Europese industriële competitiviteit te herstellen.

De CID presenteert een indrukwekkend aantal maatregelen dat op papier substantieel lijkt, maar de werkelijke uitdaging schuilt in de nuances van de uitvoering. Hoewel enkele pakketten al in 2025 worden geïmplementeerd, zijn veel maatregelen in werkelijkheid slechts aankondigingen van initiatieven die pas in 2026 of later volledig effect zullen sorteren. Dit uitstel contrasteert scherp met de snelheid waarmee Amerikaanse subsidies via de Inflation Reduction Act en Chinese steunmaatregelen worden uitgerold.

De fundamentele uitdaging ligt in de asymmetrische structuur van de EU zelf: terwijl Brussel strategische visie en beleidskaders biedt, valt de financiële uitvoering grotendeels toe aan de lidstaten. Hoewel EU-cohesiemechanismen bestaande verschillen enigszins nivelleren, blijft het kernprobleem dat veel lidstaten reeds worstelen met krappe nationale begrotingen. Nieuwe EUbeleidsambities waarvoor lidstaten grotendeels zelf moeten betalen, stuiten daardoor op een weerbarstige financiële werkelijkheid – een probleem dat wordt versterkt in het huidige politieke klimaat waarin nationalistisch sentiment vaak prevaleert boven Europese solidariteit.

Al met al is de CID een stap in de goede richting. Het is de voorzet vanuit de Europese Commissie die nu ingekopt moet worden door de nationale lidstaten. Snelheid en daadkrachtig optreden in een mondiale context waarbij Europa moet opboksen tegen grootmachten als de VS en China, blijft een grote uitdaging. Zolang Europa niet in staat is dit te verbeteren, zullen plannen als de CID en de AEA mooie ambities blijken, maar het tij voor de industriële concurrentiepositie niet tijdig kunnen keren.

Om de Europese voorzet te verzilveren, moeten lidstaten meer doen dan slechts de financiële krenten uit de door de EU aangeleverde ‘richtlijnenpap’ halen. De Europese, en dus nationale, industriële competitiviteit herstellen, kost nou eenmaal geld. Het alternatief is echter dat het ons nog meer geld kost, wanneer dezelfde industrie definitief vertrekt. Het water staat hen al aan de lippen. Laten we nu snel en daadkrachtig investeren om onze industrie te behouden.

27 november 2024

De EU voerde in 2005 het allereerste emissiehandelssysteem voor broeikasgassen in: het European Union Emission Trading System of kortweg EU ETS. Met een omvang van bijna 50% van de totale broeikasgasuitstoot van de EU wordt het vaak de hoeksteen van het Europese klimaatbeleid genoemd. Onder het EU ETS vallen de elektriciteitssector, de zware industrie en continentale vluchten. De zware industrie bestaat op zijn beurt bijvoorbeeld uit bedrijven in de chemische-, metaalen steenindustrie.

Het EU ETS is inmiddels bijna twintig jaar in werking. In deze twintig jaar heeft het systeem een aantal ingrijpende economische, politieke en maatschappelijke veranderingen doorstaan. Zo hadden we in 2008 te maken met een wereldwijde economische crisis, werd in 2015 het Parijsakkoord getekend, waarna het mondiale klimaatbeleid pas echt in een stroomversnelling kwam, en hadden we in 2020 te maken met een pandemie. In al die tijd bleef de kern van het EU ETS overeind: Uitstoot is beprijsd en de broeikasgasuitstoot van ETS-sectoren daalt naar nul.

Een (internationaal) emissiehandelssysteem met een afnemend aantal emissierechten is een van de meest kostenefficiënte manieren om uitstoot te verminderen. Een van tevoren vastgesteld afnemend emissieplafond biedt bedrijven zekerheid dat uitstoot in de gehele sector naar nul moet. Tegelijkertijd kunnen deelnemende partijen onderling emissierechten verhandelen, waardoor er een prijs ontstaat voor emissierechten. Die prijs zorgt ervoor dat de uitstoot gereduceerd wordt, daar waar dat het goedkoopst kan. Bovendien worden emissierechten steeds schaarser. Dat zorgt ervoor dat er vanuit de aanbodkant op de markt een opwaartse prijsdruk ontstaat. In navolging van de EU hebben inmiddels ook andere landen en regio’s in verschillende werelddelen een emissiehandelssysteem voor reductie van broeikasgassen opgetuigd.

Op dit moment is het beleidskader zo dat er vanaf 2040 geen emissierechten meer uitgegeven worden. Het systeem is dus al zo’n twintig jaar actief, en zal volgens de huidige plannen nog zeker vijftien jaar dienst doen. Het emissieplafond van het systeem daalde nog nooit zo hard als nu. Er komen in het huidige debat ook al stemmen op voor een levensduurverlenging van het emissiehandelssysteem na 2039. Hierdoor kan er op termijn een markt ontstaan voor negatieve emissies.

Het EU ETS heeft in twintig jaar tijd een onmisbare bijdrage geleverd aan de energietransitie. Het systeem heeft ervoor gezorgd dat de goedkoopste mogelijkheden voor emissiereductie hebben plaatsgevonden. Dat betekent inherent ook dat de noodzakelijke duurdere keuzes voor emissiereductie nog moeten plaatsvinden. De emissieprijs is hierin sturend. Vanaf 2027 zal een tweede, losstaand emissiehandelssysteem in werking treden: ETS-2. Dit emissiehandelssysteem zal toezien op de emissiereductie van de transportsector, de gebouwde omgeving en de kleinere industrie.

Dit themarapport geeft een overzicht van de historische beleids- en prijsontwikkelingen van het EU ETS. Daarnaast wordt duiding gegeven aan de verduurzaming binnen het EU ETS en wat mogelijke implicaties zijn voor de markt. Tot slot wordt inzicht gegeven in de ontwikkelingen met betrekking tot ETS-2.

4 april 2024

De Europese Unie (EU) kent verscheidene beleidsmaatregelen om thema’s zoals het halen van de klimaatdoelstellingen aan te pakken. Een van deze maatregelen is het beprijzen van CO2-uitstoot door middel van het EU Emissiehandelssysteem (EU ETS). Dit systeem is in 2005 ingesteld om door middel van beprijzing bedrijven te stimuleren te verduurzamen. Een maatregel die door de industrie wordt toegejuicht en tot op heden ook goed blijkt te werken.

Doordat CO2-prijzen niet overal worden gehanteerd, ervaren bedrijven die wel onder zo’n schema vallen een concurrentienadeel. Daarom ontvangen veel van de sectoren die onder het EU ETS vallen momenteel nog gratis emissierechten om concurrerend te blijven met vergelijkbare producenten in veel niet-Europese landen. Sommige sectoren kosten simpelweg meer tijd om te verduurzamen dan andere. Toch wil de Europese Commissie (EC) van deze gratis emissierechten af, en heeft met het ‘Carbon Border Adjustment Mechanism’ (CBAM) een maatregel bedacht die het gelijke speelveld in stand moet houden en weglekrisico’s moet tegengaan.

Het CBAM legt een heffing op de kostprijs van goederen en beprijst daarmee ook de uitstoot die vrijkomt bij het produceren buiten de EU. Hieronder vallen diverse productgroepen, namelijk ijzer en staal, meststoffen, cement, aluminium, elektriciteit en waterstof. CBAM is geïntroduceerd in drie fases om deze gratis emissierechten, tijdens het afbouwen van de hoeveelheid hiervan, te vervangen. Naarmate het aandeel gratis emissierechten afneemt, nemen de kosten voor CO2-uitstoot toe. De CBAM-regeling geldt voor importeurs van CBAM-goederen die buiten de EU geproduceerd zijn. Hierdoor worden producten die niet in de EU geproduceerd zijn net zoveel beprijsd voor de uitstoot als Europese goederen die binnen de EU worden geconsumeerd.

Waar in de basis CBAM een goed idee is om een heffing te implementeren op goederen die geproduceerd zijn buiten de EU, en daarmee de Europese industrie te beschermen en tegelijkertijd de positieve werking van Europees klimaatbeleid te vergroten naar het mondiale klimaatbeleid, zijn er ook verbeterpunten te vinden. Zo is CBAM enkel gericht op de import van grondstoffen die onder de heffing vallen naar de EU en houdt het geen rekening met export. Ook houdt de regeling geen rekening met het gegeven dat de kostprijsberekening voor een product dat buiten de EU is geproduceerd anders is dan voor een product dat binnen de EU is geproduceerd. Verder wordt er wel een heffing berekend over de grondstoffen, maar niet over de producten die geïmporteerd worden waar deze grondstoffen al in verwerkt zijn. Deze en enkele andere tekortkomingen beschrijven we in dit rapport.

Tot slot komen we met enkele aanbevelingen die de werking van het CBAM zouden verbeteren en het eigenlijke doel – een gelijk mondiaal speelveld voor de Europese producenten én het stimuleren van verduurzaming met behulp van beprijzing – overeind houden.

6 maart 2024

Nederland heeft lange tijd gegolden als een goede vestigingsplaats voor de energie-intensieve industrie. Zo is de Nederlandse glastuinbouw zeer omvangrijk, zijn er meerdere industriële clusters gevestigd, en heeft de Rotterdamse haven een grote aantrekkingskracht op onder andere chemie en raffinaderijen. Deze industriële capaciteit is – met haar hoge arbeidsproductiviteit – van aanzienlijk belang voor de Nederlandse economie in brede zin. Niet alleen vanwege de grote indirecte werkgelegenheid, maar ook omdat het de basis vormt voor de maakindustrie, die producten als windmolens en kunstmest maakt. Deze producten leveren een belangrijke bijdrage aan de strategische autonomie van Nederland en Europa, waardoor de basisindustrie van belang is voor bijvoorbeeld het slagen van de energietransitie en stabiliteit in de voedselvoorziening.

Recentelijk zien we een reeks ontwikkelingen die het gunstige vestigingsklimaat van Nederland negatief beïnvloeden, in het bijzonder voor de energie-intensieve industrie. Nederlandse bedrijven hebben, net zoals in de rest van Europa, te maken met hoge gas- en elektriciteitsprijzen als gevolg van de sancties die zijn ingevoerd na de Russische inval van Oekraïne. Dit is vaak wel twee tot drie keer zoveel als Amerikaanse bedrijven betalen. Waar in onze omringende landen de overheid deze sectoren tegemoet probeert te komen met belastingvoordelen, heeft de Nederlandse overheid juist besloten om gas en elektriciteit voor grootverbruikers met enkele maatregelen duurder te maken. Ook heeft de Nederlandse overheid de afgelopen jaren met wisselend beleid laten zien dat zij geen consequente langetermijnvisie heeft op waar ze heen wil met de industrie. Sommige maatregelen staan op gespannen voet met andere. Als gevolg hiervan weet de energie-intensieve industrie niet goed waar ze aan toe is. Dit leidt ertoe dat hoofdkantoren in het buitenland investeringsbeslissingen uitstellen of verplaatsen naar locaties buiten Nederland.

Waar Nederland steeds minder aantrekkelijk wordt voor industriële productie ten opzichte van haar buurlanden, geldt dat ook voor Europa als geheel. Naast de betaalbaarheid is de leverings- en/of voorzieningszekerheid van energie voor Europese bedrijven omgeven met toenemende risico’s. Europa is op het gebied van nagenoeg alle brandstoffen bijna volledig afhankelijk van import. Daarnaast kennen andere industriële grootmachten uitgebreide stimuleringsprogramma’s van de overheid, zoals de Inflation Reduction Act (IRA) in de Verenigde Staten (VS) en vergelijkbare programma’s in China. De Europese Unie (EU) is een stuk minder scheutig met zulke staatssteun en komt in plaats daarvan vooral met verplichtingen voor bedrijven (zoals CSDDD en CSRD), welke meer administratie en controles vereisen en daarmee voor hogere kosten zorgen. Dit past in een breder plaatje in Europa, waarbij (fossiele) energie-intensieve bedrijven langzaam maar zeker hun maatschappelijke license-to-operate dreigen te verliezen. De focus ligt hier sterk op klimaatbeleid, waarbij de politiek betaalbaarheid, beschikbaarheid, en strategische onafhankelijkheid een minder hoge prioriteit geeft dan in andere werelddelen.

In dit rapport kijken we naar de recente ontwikkelingen en beschrijven we de redenen voor het veranderende investeringsklimaat. Dit overzicht is nodig om tot de juiste strategische keuzes te komen ten behoeve van het Nederlandse investeringsklimaat. Voor de industrie, maar misschien ook wel voor het bedrijfsleven in het algemeen. Het hebben van geen langetermijnvisie is ook een keuze, maar wel een met mogelijk grote consequenties.

Marktupdates

2 september 2026

  • Krappe gasmarkt: Meer dan zes maanden uitval van Qatarese LNG heeft geleid tot een flinke daling van het LNG-aanbod. Zelfs bij heropening van de Straat van Hormuz blijft het vooruitzicht voor de winter krap.
  • Prijs boven leveringszekerheid: Europa kan een fysiek gastekort waarschijnlijk voorkomen, maar moet daarvoor concurreren op een krappe mondiale LNG-markt. Het grootste risico ligt daarom bij de prijs.
  • Weer bepalend voor winterprijzen: Lage voorraden vergroten de gevoeligheid voor koude periodes, tegenvallende windproductie en onverwachte verstoringen in gasaanvoer.
  • Vraagbeperking biedt slechts verlichting: Hogere inzet van kolencentrales en mogelijke vraaguitval kunnen de gasvraag temperen, maar veranderen het fundamenteel krappe marktbeeld niet.
  • OPEC verliest grip op aanbod: Meer productie buiten OPEC kan de olieprijzen op termijn drukken, maar vergroot tegelijkertijd het risico op onderinvesteringen en sterkere prijsschommelingen.

19 augustus 2026

  • Stevige elektriciteitsprijs: Hoge elektriciteitsprijzen blijven gehandhaafd door aanhoudende krapte op de gasmarkt en productiebeperkingen als gevolg van droogte in Noordwest-Europa.
  • Prijssteun EU ETS: Energieprijzen wijzen op aanhoudende steun voor de ETS-markt zolang kolencentrales winstgevender blijven dan gascentrales.
  • Historische prijsdynamiek: Eerdere marktcycli laten zien dat opwaartse prijsdruk op de ETS-markt snel kan omslaan wanneer gasprijzen normaliseren.
  • Electrification Action Plan: EU-richtlijnen ondersteunen verdere elektrificatie, maar plannen vooralsnog te vaag voor een marktimpact.

5 augustus 2026

  • Gasprijs: De gasprijzen stijgen sterk tot hoogste punt van het jaar.
  • Financiële markten: De financiële markten verwachten voor gas vooral krapte op de kortere termijn.
  • Olie: Oliemarkten zijn volatiel, maar echte tekorten zijn vooral zichtbaar bij de olieproducten.
  • Typen olie: Aangezien er grote verschillen zijn in typen olie, kan een tekort van de ene niet zomaar worden opgevangen door de ander.
  • Rente: Centrale banken houden de rente stabiel ondanks hogere inflatie door gestegen energieprijzen.

23 juli 2026

  • Elektriciteitsprijzen: De hoge gasprijs werkt richting de winter steeds sterker door in de elektriciteitsprijs, doordat gascentrales bij een afnemend aandeel hernieuwbare opwek vaker de marginale prijs bepalen.
  • TTF-prijs: De recente stijging van de TTF-prijs wordt vooral gedreven door een hernieuwde geopolitieke risicopremie, terwijl de fundamentele marktkrapte verder toeneemt door uitblijvende LNG-export via de Straat van Hormuz en onderhoud aan de Freeport LNG-terminal.
  • Onbalansmarkt: De sterke toename van Regeltoestand 2 laat zien dat een steeds dynamischer elektriciteitssysteem vaker binnen één kwartier omslaat van een overschot naar een tekort.
  • EU ETS: De recente stijging van de ETS-prijs onderstreept dat marktreacties worden bepaald door het verschil tussen marktverwachtingen en uiteindelijke beleidsvoorstellen.

8 juli 2026

  • Hormuz: De hernieuwde escalatie tussen de VS en Iran zorgt opnieuw voor een risicopremie op de Europese gasmarkt.
  • Hittegolf: De hittegolf ondersteunt de gasvraag en daarmee de gasprijs op korte termijn.
  • Vulgraden: De EU lijkt een verlaging van de vuldoelstellingen te overwegen om zo niet bij te dragen aan verdere opwaartse prijsdruk.
  • LNG-aanbod: Nieuwe LNG-exportcapaciteit dempt de impact van verstoringen, maar op de langere termijn wordt gerekend op een forse vraaggroei binnen de LNG-markt.
  • OPEC+: De aangekondigde productieverhogingen van OPEC+ vertalen zich vooralsnog beperkt naar extra olieproductie.

Columns

26 augustus 2026

De energietransitie loopt vast in een paradox: de wens om fossiele energie sneller af te bouwen groeit, terwijl weerstand tegen de alternatieven juist toeneemt. Daardoor ontstaat een groeiende kloof tussen ambities en praktische uitvoerbaarheid. Volgens Hans van Cleef kan de transitie alleen slagen als aanbod, vraag en infrastructuur gelijktijdig groeien. Dat vraagt om meer ruimte voor energievoorzieningen, daadkrachtig overheidsbeleid en een eerlijk debat over de onvermijdelijke gevolgen: de transitie wordt zichtbaarder, complexer en duurder voor iedereen.

Hans van Cleef is hoofd Energie-onderzoek bij EqoLibrium (deze column is geschreven op persoonlijke titel en eerder verschenen bij Studio Energie Opinie)

 

Afgelopen week stond op Energeia dat het vervangen van oude windmolens door nieuwe – repowering – niet lukt. Steeds vaker horen we dat het verder opschalen van het aandeel hernieuwbare energie vertraagt. Niet alleen het afschaffen van de salderingsregeling voor zonnepanelen en netcongestie, maar ook meer weerstand tegen het vervangen – laat staan nieuwbouw – van windmolens op land zorgen voor vertragingen. Daarnaast worden projecten voor zon- en windparken steeds duurder en zijn investeerders terughoudender, waardoor de businesscase onder druk staat.

Tegelijkertijd – zeker na de afgelopen hittegolven van deze zomer – klinkt er vanuit maatschappelijke organisaties en beleidsmakers de roep om juist sneller het gebruik van fossiele brandstoffen af te schalen. Dit schuurt. Een snellere afbouw van fossiel moet gepaard gaan met het sneller opbouwen van het alternatief.

“We willen wel de voordelen van de digitale economie, maar niet de fysieke infrastructuur die daarvoor noodzakelijk is”

Aangezien de verduurzaming of elektrificatie in de industrie slechts zeer beperkt van de grond komt, moet de groei van de vraag naar elektriciteit ergens anders vandaan komen. Juist daarom is het opmerkelijk dat de maatschappelijke weerstand tegen datacenters ook blijft groeien. Deze datacenters worden vooral gezien als energieverspillers en leveren weinig werkgelegenheid op.

Een beetje hypocriet is het wel, aangezien vrijwel iedereen dagelijks gebruik maakt van digitale diensten. En met de komst van kunstmatige intelligentie zal de roep om dataverwerking de komende jaren verder groeien. Dit is een merkwaardige tegenstelling. We willen wel de voordelen van de digitale economie, maar niet de fysieke infrastructuur die daarvoor noodzakelijk is.

“Wat jarenlang een theoretisch probleem leek, is uitgegroeid tot een tastbare economische rem”

En als vraag en aanbod dan al beter in balans komen, dan moet die elektriciteit ook verplaatst worden. De berichten over netcongestie en het gebrek aan ruimte op het net zijn dagelijks in de krant te lezen. Er is dan ook flink wat frustratie over de beperkende factor van het net als het gaat om meer woningbouw, uitbreiding van bedrijfsactiviteiten, het aansluiten van laadpleinen voor elektrische auto’s, et cetera.

Jarenlang waren de signalen zichtbaar dat het elektriciteitsnet de groeiende vraag en productie niet zou kunnen verwerken. Toch werd er onvoldoende geanticipeerd. Inmiddels zitten bedrijven en consumenten op veel plekken letterlijk te wachten op een aansluiting of uitbreiding van capaciteit. Wat jarenlang een theoretisch probleem leek, is uitgegroeid tot een tastbare economische rem.

Maar als een netbeheerder dan probeert alsnog een vergunning te krijgen voor een transformatorhuisje in de wijk of een aantal hoogspanningsmasten, dan zijn de bezwaarprocedures niet te tellen en wordt deze uitbreiding aanzienlijk vertraagd. Als het al lukt.

“Het risico is dat we continu hetzelfde patroon volgen. Dat is geen strategie, maar uitstelgedrag”

Het wordt daarmee steeds duidelijker dat al het laaghangende fruit inmiddels wel is geplukt, en dat de energietransitie steeds meer voelbaar en zichtbaar begint te worden. Voelbaar in de afname van leveringszekerheid, voelbaar in de portemonnee, zichtbaar in het landschap, zichtbaar in het niet blind kunnen uitvoeren van jouw (energievragende) plannen. Het schuurt opnieuw.

Zonder wrijving geen glans is dan een bekende uitspraak. Maar in een wereld die toch al steeds meer gedomineerd wordt door tegenstellingen, door geopolitieke onrust, en door – in ieder geval het gevoel van – meer ongelijkheid, is elkaar vinden op deze dossiers een steeds lastiger opgave.

Het risico is dat we continu hetzelfde patroon volgen: eerst jarenlang constateren dat er een probleem ontstaat, vervolgens eindeloos discussiëren over mogelijke oplossingen en uiteindelijk pas handelen wanneer de gevolgen zich volledig manifesteren. Dat is geen strategie, maar uitstelgedrag.

“De energietransitie slaagt niet door alleen meer aanbod te creëren. Zij slaagt pas wanneer aanbod, vraag én infrastructuur samen groeien”

Als Nederland werkelijk werk wil maken van het afbouwen van fossiele energie, dan moeten we accepteren dat een duurzame toekomst meer elektriciteit vraagt en niet minder. Dat betekent ruimte voor elektrificatie, ruimte voor datacenters, ruimte voor AI en ruimte voor meer energie-infrastructuur. Tegelijkertijd vraagt het om een overheid die bereid is vooruit te kijken en tijdelijke markttekorten te overbruggen wanneer maatschappelijke doelen daarom vragen.

De energietransitie slaagt niet door alleen meer aanbod te creëren. Zij slaagt pas wanneer aanbod, vraag én infrastructuur samen groeien. Verder is het een zekerheid dat onze energievoorziening duurder wordt. Ook daarin moet je iedereen meenemen. Enkel stellen dat ‘de vervuilende bedrijven’ moeten betalen is ronduit kortzichtig. Immers, de rekening kan niet oneindig bij het bedrijfsleven worden neergelegd in verband met internationale concurrentie. En daarnaast zullen die kosten waar mogelijk weer doorbelast worden aan de eindgebruiker (lees: de kiezer).

Kortom, de transitie wordt voor iedereen lastiger, zichtbaarder en duurder. Dat inzicht lijkt vanzelfsprekend, maar in het huidige debat wordt het opvallend vaak vergeten. Misschien is het tijd om dat te corrigeren en een eerlijk en vooral volledig beeld te schetsen. Voordat ook dit probleem ontspoort en we pas dan besluiten er iets aan te doen.

29 juli 2026

Ambitie vormt de basis van vooruitgang, maar beleid wordt pas effectief wanneer het ook uitvoerbaar en voorspelbaar is. Toch zien we regelmatig dat ambitieuze beleidsmaatregelen later worden aangepast, uitgesteld of afgezwakt zodra de praktijk weerbarstiger blijkt dan verwacht. Dat roept de vraag op of overheden niet vaker vooraf zouden moeten toetsen wat haalbaar is, in plaats van achteraf te moeten bijsturen.

Hans van Cleef is hoofd Energie-onderzoek bij EqoLibrium (deze column is geschreven op persoonlijke titel)

 

Als ik vroeger iets deed wat niet mocht van mijn ouders, kreeg ik straf. Afhankelijk van de ernst van de overtreding mocht ik niet buitenspelen of werd mijn zakgeld gekort. Dezelfde logica werkte ook andersom: goed gedrag of extra inzet werd beloond. Mijn zwemdiploma haalde ik dan ook razendsnel en zonder zijwieltjes fietsen ging al snel vanzelf.

Opvoeden draait echter vooral om consequent zijn. Als de ene ouder nee zegt en de andere vervolgens alsnog toegeeft, brokkelt het gezag van de eerste af. Inconsistentie ondermijnt geloofwaardigheid.

Voor overheden geldt precies hetzelfde. Zij sturen gedrag met belastingen, heffingen en subsidies. Dat zijn beproefde instrumenten om beleidsdoelen te realiseren. Maar ook hier geldt: als je regels steeds aanpast, maatregelen uitstelt of aangekondigde sancties niet doorzet, tast het de betrouwbaarheid van het beleid en de geloofwaardigheid van de overheid aan.

“Uitstel van de methaanwet is nog geen afstel”

Vorige week las ik over het uitstellen van boetes voor olie- en gasbedrijven die de Europese methaanregels overtreden. Die regels moeten vanaf 2027 producenten stimuleren om hun methaanuitstoot te verlagen. In theorie klinkt dat logisch: wie vervuilt, betaalt. Maar waar in theorie het als een nobel en logisch plan klinkt, kan het plan ook anders uitpakken.

De praktijk is immers weerbarstiger. Producenten die niet aan de eisen kunnen voldoen, dreigen de toegang tot de Europese markt te verliezen. Daardoor moet de EU elders olie en gas inkopen. In een markt die al onder druk staat door geopolitieke spanningen en het wegvallen van Russisch gas is dat geen vanzelfsprekend alternatief.

Daar komt bij dat veel leveranciers opzien tegen de aanzienlijke administratieve lasten die de regelgeving met zich meebrengt. Het Internationaal Energieagentschap (IEA) waarschuwde onlangs dat de methaanregels kunnen leiden tot een daling van de Europese energie-importen. Nu waarschuwt het IEA de laatste tijd wel heel stellig voor heel veel, maar in deze hebben zij volgens mij gelijk. Ook in Brussel lijken die zorgen inmiddels te zijn doorgedrongen.

Daarom is besloten de handhaving voorlopig uit te stellen. De komende drie jaar worden geen boetes opgelegd. Maar uitstel is geen afstel. De wet blijft bestaan en de onzekerheid voor de markt daarmee ook. Of deze tijdelijke pauzeknop voldoende is om de ongewenste neveneffecten weg te nemen, betwijfel ik. Een volgende stap zou kunnen zijn om de maatregel fundamenteel te heroverwegen, zoals eerder gebeurde met de nationale CO₂-heffing.

“Gevolgen van beleid zijn vaak voorspelbaar”

Het patroon is bekend. Ambitieuze doelstellingen leiden tot ambitieus beleid. Vervolgens blijkt dat de praktijk weerbarstiger is dan gedacht en worden de plannen aangepast.

Dat hoeft niet te verbazen. Je kunt elektrificatie stimuleren, maar zonder voldoende netcapaciteit loopt die ambitie vast. Je kunt industriële uitstoot willen verlagen, maar als bedrijven daardoor internationaal niet meer kunnen concurreren, verdwijnen investeringen en banen. Je kunt recycling bevorderen, maar als fiscale regels het tegenovergestelde effect hebben, schiet het beleid zijn doel voorbij.

Beleid moet natuurlijk kunnen worden aangepast wanneer nieuwe inzichten daarom vragen. Dat is gezond. Maar veel van de problemen die later tot bijsturing leiden, zijn vaak al vooraf zichtbaar.

In onderzoeken die wij vanuit EqoLibrium uitvoeren, zien we regelmatig dat beleidsvoornemens op papier logisch lijken, maar in de praktijk anders uitpakken. Bedrijven opereren immers in een internationale markt en worden beperkt door wat technologisch én economisch haalbaar is. Die realiteit laat zich doorgaans prima vooraf analyseren.

“Ambitie is goed, maar realisme is beter”

Mijn voormalige werkgever ABN AMRO gebruikte ooit de slogan: ‘Het begint met ambitie’. Dat vond ik toen een sterke slogan en dat vind ik nog steeds. Ambitie zorgt ervoor dat je verder kijkt dan de status quo en hogere doelen nastreeft.

Maar ambitie alleen is niet voldoende. Als de lat structureel hoger wordt gelegd dan haalbaar is, ontstaat onvermijdelijk de behoefte om beleid later af te zwakken, uit te stellen of terug te draaien. Dat is begrijpelijk, maar het heeft een prijs.

Want iedere keer dat aangekondigde maatregelen niet worden doorgezet, neemt het vertrouwen in het beleid af. En net als bij opvoeden geldt ook voor overheden: geloofwaardigheid bouw je op door consequent te zijn. Niet door steeds opnieuw de regels te veranderen.

 

1 juli 2026

De prijs aan de pomp schiet omhoog zodra een conflict in het Midden-Oosten oplaait. Maar achter die stijgende olie- en gasprijzen voltrekt zich een veel grotere verschuiving. Terwijl de wereld kijkt naar de geopolitieke spanningen rond Iran, verandert ook de economische machtsbalans. De dominantie van de Amerikaanse petrodollar brokkelt langzaam af, terwijl China met de yuan steeds nadrukkelijker terrein wint. Volgens Hans van Cleef lijkt de elektroyuan daarmee geboren.

Sinds de VS en Israël opnieuw de aanval hebben geopend op Iran en de Straat van Hormuz werd gesloten, staan de olie- en gasprijzen weer volop in de belangstelling. Ook de gasexporten van Qatar kwamen tijdelijk stil te liggen. De economische gevolgen zijn wereldwijd voelbaar. Maar achter deze energiecrisis speelt zich nog een andere ontwikkeling af: de veranderende rol van de Verenigde Staten in de wereldeconomie.

Wie een vat Brent-olie koopt, betaalt nog altijd in Amerikaanse dollars. Dat geldt ook voor een groot deel van de internationale handel. De dollar is al decennialang de spil van het mondiale financiële systeem. De basis daarvoor werd gelegd met het Bretton Woods-systeem in 1944. Zelfs nadat de goudkoppeling in 1971 werd losgelaten, bleef de dollar de dominante wereldmunt.

Dat kwam vooral door de opkomst van de petrodollar. In de jaren zeventig spraken olieproducerende landen met de VS af hun olie uitsluitend in dollars te verhandelen, in ruil voor onder meer militaire bescherming. Omdat de hele wereld olie nodig had, bleef de vraag naar dollars enorm. Olie-inkomsten werden bovendien vaak weer belegd in Amerikaanse staatsobligaties.

“De combinatie van hoge overheidsschulden, oplopende inflatie, handelsoorlogen en politieke druk op de Amerikaanse centrale bank tast het vertrouwen in de dollar aan”

Hierdoor profiteerden de Verenigde Staten jarenlang van lage financieringskosten, een sterke kredietwaardigheid en een vrijwel onaantastbare positie van de dollar. Nog altijd bestaat ongeveer 58% van de wereldwijde valutareserves uit dollars en is de munt betrokken bij circa 88% van alle valutatransacties.

Die vanzelfsprekende positie staat echter steeds meer onder druk. De combinatie van hoge overheidsschulden, oplopende inflatie, handelsoorlogen en politieke druk op de Amerikaanse centrale bank tast het vertrouwen in de dollar aan. Ook wordt de munt steeds vaker ingezet als geopolitiek machtsmiddel, bijvoorbeeld via sancties en handelstarieven. Dat vergroot de behoefte van andere landen om minder afhankelijk te worden van het Amerikaanse financiële systeem.

China is daarin het verst gevorderd. Ook de andere BRICS-landen zoeken naar alternatieve betalingssystemen om de afhankelijkheid van de dollar te verkleinen. Tegelijkertijd verschuift ook het mondiale energiesysteem. Waar de petrodollar groot werd dankzij olie, groeit China juist mee met de energietransitie.

“In vrijwel iedere schakel van de energietransitie speelt China een sleutelrol. Daarmee neemt ook het gebruik van de Chinese yuan toe”

China domineert inmiddels de winning en verwerking van kritieke grondstoffen en produceert een groot deel van de mondiale zonnepanelen, batterijen, windmolens en elektrische auto’s. In vrijwel iedere schakel van de energietransitie speelt China een sleutelrol. Daarmee neemt ook het gebruik van de Chinese yuan toe. Inmiddels wordt ruim een derde van de Chinese goederenhandel in de eigen munt afgerekend.

Waar olie jarenlang de vraag naar dollars creëerde, kan de energietransitie op termijn hetzelfde effect hebben voor de yuan. Die zal de dollar voorlopig niet vervangen als dominante wereldmunt. Daarvoor is het vertrouwen in de Amerikaanse financiële markten nog altijd te groot. Maar de wereld beweegt wel richting een systeem met meerdere economische machtsblokken. De elektroyuan is daarmee geen nieuwe wereldmunt, maar wel een teken dat de machtsbalans verschuift.

Dat heeft ook gevolgen voor de stabiliteit van het financiële systeem. Veel internationale handel, leningen en valutareserves zijn nog steeds gebaseerd op de dollar. Wanneer het vertrouwen daarin afneemt, nemen ook de risico’s op financiële schokken toe. Normaal gesproken zou zo’n machtsverschuiving zich over tientallen jaren voltrekken. Door het economische en geopolitieke beleid van Trump lijkt dat proces echter aanzienlijk te versnellen.

“En de euro dan? Europa blijft economisch belangrijk, maar politieke verdeeldheid en trage besluitvorming beperken de geopolitieke invloed”

Een sterkere yuan kan daarbij deels een alternatief bieden. Net zoals de Verenigde Staten decennialang profiteerden van de internationale rol van de dollar, zal China steeds meer profiteren van de groeiende betekenis van zijn eigen munt. Tegelijkertijd wordt het land daarmee ook kwetsbaarder voor dezelfde financiële risico’s die nu vooral bij de VS liggen.

En de euro dan? Europa blijft economisch belangrijk, maar politieke verdeeldheid en trage besluitvorming beperken de geopolitieke invloed. De euro zal daarom waarschijnlijk vooral een aanvullende reservemunt blijven, naast de Japanse yen, de Zwitserse frank en mogelijk zelfs bitcoin.

De afhankelijkheid van China neemt ondertussen verder toe. Niet alleen in de productie van schone technologie, maar ook in de financiële afwikkeling daarvan. Daarom zie ik de komende decennia vooral één grote verschuiving: van de petrodollar naar de elektroyuan.

 

Hans van Cleef is hoofd Energie-onderzoek bij EqoLibrium (deze column is geschreven op persoonlijke titel en werd eerder gepubliceerd op Studio Energie Opinie)

2 juni 2026

Tijdens een vakantie aan de Franse Côte d’Azur valt het contrast met Nederland direct op: waar wij worstelen met netcongestie en stijgende energiekosten, lijkt Frankrijk dankzij decennialange investeringen in kernenergie een stuk zorgelozer. De belangrijkste les: de energietransitie vraagt niet alleen om plannen en ambitie, maar vooral om lef, investeringen en politieke volharding.

De afgelopen twee weken heb ik – na een hectisch voorjaar op de energiemarkten – even afstand genomen met een vakantie aan de Côte d’Azur. Daar waar het Franse leven in rustig voortkabbelt, en waar zon, wijn en terrassen het leven goed maken. De lokale jetset lijkt zich niet druk te maken over de kosten van benzine of diesel; de enorme motorjachten varen af en aan in de pittoreske haventjes.

Ook over het gebruik van elektriciteit lijkt de gemiddelde Fransman zich niet druk te maken. De eerste dagen kon de airco ’s avonds mooi op de verwarmingsstand tijdens de laatste frisse voorjaarsavonden van het jaar. Maar al snel arriveerde de zomer in volle glorie en stegen de temperaturen. De airco’s gingen op de koelstand, en pruttelden op volle toeren. Netcongestie, te hoge kosten en een overheid die oproept om tussen 16.00 en 21.00 zo min mogelijk stroom te gebruiken zijn niet aan de orde.

In Nederland zijn de wachtlijsten voor een aansluiting of uitbreiding tot ongekende lengte gegroeid. In Frankrijk daarentegen worden bedrijven gelokt met de belofte van stabiele én grotendeels koolstofarme elektriciteit. Niet in de minste plaats als gevolg van haar 57 kernreactoren, die voor bijna 70% van de elektriciteit zorgen. Voeg daar nog wat zon- en windenergie bij, en het is voor menig land een toonbeeld van hoe een mix van lokale en duurzame energie eruit kan, en misschien wel móét zien.

“Een té grote afhankelijkheid van energie-import, maakt je als land kwetsbaar”

Natuurlijk weet iedereen dat een energietransitie niet hetzelfde is als een transformatie, en dat er veel tijd (en geld) nodig is om een succesvolle transitie te maken naar een goed (lees: betrouwbaar) nieuw energiesysteem. De Fransen gingen immers ook niet over een nacht ijs.

Hoewel de eerste kerncentrale in Marcoule werd opgestart in 1956, werd Frankrijk pas echt een grootmacht op dit gebied vanaf de jaren 80. Na de oliecrisis in 1973 nam de Franse regering het besluit om in te zetten op meer energieonafhankelijkheid. De oliecrisis toonde immers aan dat een té grote afhankelijkheid van import je als land kwetsbaar maakt. Iets dat vandaag de dag weer bijzonder actueel is, en waarmee maar weer is aangetoond dat de geschiedenis zich altijd herhaalt.

Als de geschiedenis zich zo vaak herhaalt, dan zou je verwachten dat men er dus ook lessen uit trekt. Een ezel stoot zich immers niet twee keer aan dezelfde steen. En hoewel na de ramp in Fukushima (2011) de opinie ten aanzien van kernenergie in Europa ook veranderde (denk aan de Atom-ausstieg in Duitsland), had Frankrijk vooral andere zorgen. De oude reactoren lieten slijtage zien en hadden daarmee meer onderhoud nodig. Daar komt steeds vaker het probleem van droogte of te warm koelwater bovenop. Toch heeft het president Macron er niet van weerhouden om opnieuw fors in te zetten op kernenergie. Zijn plannen zetten in op nieuwe reactoren (EPR2) en het bouwen van kleine modulaire reactoren (SMR’s).

“Transities kosten tijd en geld. En het vergt politieke moed om dat te erkennen, en te verkopen aan je achterban”

Het is een van de vele voorbeelden die laten zien dat je met visie, lef en inzet een heel eind komt. De Fransen trokken lessen uit de oliecrisis en namen zich in 1973 voor om dit niet meer te willen. Daarom zetten zij vol in op investeringen die zich in de decennia daarna, tot op de dag van vandaag, uitbetaalden. Een beetje vergelijkbaar met de Nederlandse stormvloedkering, die ook gebouwd werd nadat er lessen werden getrokken uit het verleden en waar we nog steeds profijt van hebben.

De recente lessen liggen voor het oprapen. De COVID19-crisis toonde aan dat je niet te importafhankelijk wilt zijn van kritieke goederen (zoals mondkapjes). De Energiecrisis (2021/heden) toont aan dat een te grote afhankelijkheid van energie-import uit één land niet handig is op het moment dat je daarmee in conflict komt.

Hoewel we de afhankelijkheid van olie- en gasimporten uit Rusland rap hebben afgebouwd, is deze inmiddels ingeruild voor een te grote afhankelijkheid van de VS. Een land dat met handelstarieven zwaait en dreigt bij geen akkoord die tarieven te koppelen aan de leveringszekerheid van LNG aan Europa. Ook China dreigt geregeld de levering of verwerking van kritieke metalen stop te zetten of te verminderen.

Opnieuw wordt er daarom in Europa gesproken over meer energieonafhankelijkheid. De visie is er. Echter, het lef en de inzet blijven flink achter. Transities kosten tijd en geld. En het vergt politieke moed om dat te erkennen en te verkopen aan je achterban. Kosten gaan voor de baat uit. Nu blijven we nog te veel hangen in pleisters plakken en tijdelijke maatregelen, terwijl juist grote langjarige investeringen moeten worden opgeschaald.

“De energietransitie realiseer je niet vanuit bed”

Zaterdag 4 juli start de 113e Tour de France. Met deze keer maar liefst twee keer een finish op de Alpe d’Huez, de door ons geclaimde ‘Nederlandse berg’. Iets wat me doet denken aan een beroemde uitspraak van de Nederlandse Tourheld Joop Zoetemelk. Hij zei in 1980 dat je de Tour wint in bed. Zoetemelk bedoelde daarmee dat alleen door goed te rusten en tijd te nemen voor herstel je zo’n veldslag kan uithouden en dus kans maakt op de winst.

De energietransitie realiseer je niet vanuit bed. Maar net als bij de Tour de France heb je wel een plan nodig, een team om dit te realiseren en tijd voor zo nu en dan een pas op de plaats om de hele rit te kunnen afronden. Plannen hebben we in Europa (en Nederland) genoeg. Nu nog het lef en de inzet om dit te realiseren. Dat vergt vastberadenheid, veel geld, en moed.

Vastberaden om er jarenlang vol voor te gaan. Geld om onrendabele toppen te dekken en het bedrijfsleven in staat te stellen om de transitie ook fysiek te realiseren. En moed om dit aan de burger – en dus de kiezer – te blijven uitleggen, ook bij tegenwind of valpartijen. Kortom, niet met een Franse slag, maar wel met een Franse inzet!

 

Hans van Cleef is hoofd Energie-onderzoek bij EqoLibrium (deze column is geschreven op persoonlijke titel)

5 mei 2026

Extreme prijsschommelingen op de elektriciteitsmarkt lijken het nieuwe normaal. Van sterk negatieve prijzen bij overaanbod tot pieken bij schaarste: het systeem kraakt onder zijn eigen dynamiek. Toch zit de oplossing niet in meer marktinterventie of in het splitsen van de markt in een voor hernieuwbare elektriciteit en een voor aardgas. De oplossing zit vooral in slimme keuzes, want de belangrijkste knoppen om kosten te sturen zijn al in handen van de overheid.

Eind vorige maand was het weer zover. De elektriciteitsprijs daalde tot een record van minus 550 euro in nagenoeg heel Noordwest-Europa. Een combinatie van wind, flink wat zon en minder vraag maakte dat alle benodigde elektriciteit diverse uren achtereen met hernieuwbare energiebronnen kon worden opgewekt.

Het was zelfs zó veel, dat het leidde tot een stevig overaanbod van elektriciteit. Negatieve prijzen zijn immers altijd het gevolg van een onbalans tussen vraag en aanbod. Te veel aanbod leidt tot de noodzaak van afschakeling om het net in balans te houden. En daarom moet de netbeheerder flink in de buidel tasten om partijen te verleiden meer te gebruiken en, als dat niet volledig lukt, om af te schakelen.

Het is het nieuwe normaal. Niet alleen negatieve prijzen, maar vooral steeds vaker een onbalans tussen vraag en aanbod. Nu zijn de prijsbewegingen bij elektriciteit vele malen heftiger dan bijvoorbeeld op de olie- en gasmarkt. De elektriciteitsmarkt moet immers altijd – dus iedere seconde – op 50 Hertz stabiel zijn. Dat vergt heel veel balancering. Voor grondstofmarkten zoals olie- en gas ligt het net even anders. Ook daar zoeken markten naar een vraag/aanbodbalans op basis van de meest kostenefficiënte mix met flinke prijsbewegingen als gevolg. Toch luistert dat allemaal net wat minder nauw.

Onlangs zagen we in het VK een oproep van de nationale netbeheerder NESO (zeg maar de TenneT van het VK) richting huishoudens om meer elektriciteit te gebruiken komende zomer. Niet alleen om te profiteren van de lage elektriciteitsprijzen en het net te balanceren, maar ook om daarmee flinke afschakelvergoedingen aan producenten uit te sparen. Meer verbruik leidt dan tot lagere kosten. Dit in tegenstelling tot de oproep vanuit Brussel en het Internationaal Energieagentschap richting verbruikers van gas, olie en olieproducten. Daar zien we juist krapte als gevolg van de oorlog in Iran, en zou een lager verbruik bijdragen aan het balanceren van de markt.

Tegelijkertijd willen beleidsmakers hier soms ook in doorslaan. Net als tijdens de energiecrisis in 2021/22 wordt er weer gepleit om de elektriciteits- en gasmarkt los te koppelen. Sterker nog, in het VK gaan ze het – tegen alle adviezen in – ook echt proberen. De gasprijs is immers hoog als gevolg van de Amerikaanse/Israëlische oorlog tegen Iran. En als de wind minder waait en de zon minder of niet schijnt, dan zijn het voornamelijk de gascentrales die ons elektriciteitsnet in balans houden. En die kosten geld. En niet alleen omdat de gasprijs nu hoger ligt, maar omdat deze in steeds minder uren hun businesscase rond moeten rekenen. Lukt dat niet, dan zou er geen incentive meer zijn om de centrales überhaupt beschikbaar te houden voor het geval ze nodig zijn.

En daar begint de denkfout bij beleidsmakers. Het idee van het loskoppelen van de elektriciteits- en gasmarkt is dat de prijs van elektriciteit soms te hoog is als er gas in de mix nodig is. Immers, álle elektriciteitsprijzen worden dan afgerekend tegen de kostprijs van de hoogste bieder: meestal gas. Dat zou leiden tot te hoge prijzen voor de consument.

Het blijft een vreemd principe dat we het blijkbaar prima vinden dat er negatieve prijzen gelden ten tijde van overaanbod, maar moeite hebben met hogere prijzen ten tijde van een tekort. Ongeacht het scenario zijn er winnaars en verliezers in de markt. Bij negatieve prijzen verdienen investeerders in zon- en windenergie niets en voelen beleidsmakers zich zelfs geroepen om met subsidies nog meer investeringen los te weken. Bij hoge prijzen worden partijen die op dat moment winst maken bijna weggezet als crimineel, terwijl je eigenlijk dankbaar zou moeten zijn dat zij tegen een hogere prijs ‘het probleem van tekorten’ oplossen.

Het selectief wel of niet ingrijpen in markten leidt niet alleen tot onduidelijkheid op financiële markten en verkeerde prikkels bij vraagsturing en investeringen in energiebronnen. Het leidt vooral tot een inefficiëntere markt. Door een loskoppeling van gas en elektriciteit moeten er twee separate markten ontstaan. Met ieder hun eigen vraag/aanbodbalans, hun eigen back-up-systemen ten behoeve van leveringszekerheid en regels en toezicht. En dat terwijl de liquiditeit op die markten lager zal zijn.

Dat de consument soms meer betaalt voor gas als back-up of het afschakelen van hernieuwbare energiebronnen bij overaanbod, is het gevolg van de huidige elektriciteitsmix. Wil je nooit gas in de mix? Dan moet je nog meer hernieuwbare elektriciteitsbronnen neerzetten. Dat leidt dan in veel gevallen tot vaker negatieve prijzen, waardoor de business case helemaal niet meer uit kan zónder bijpassende groei van de vraag naar elektriciteit. Wil je daarentegen toch een vaste prijs? Sluit dan als huishouden een vast contract af, of neem als bedrijf een Power Purchase Agreement (vaste prijs) of een Contract for Difference(variabele prijs binnen een bandbreedte).

Het opsplitsen van markten en het daarmee nog complexer maken, is een recept voor onzekerheid als gevolg van nog meer volatiliteit met veel hogere en veel lagere prijzen. En dat terwijl de energierekening vooral bepaald wordt door energiebelastingen, nettarieven, transportkosten en btw. Dus áls de overheid al iets wil doen aan hoge prijzen, dan hebben zij de belangrijkste instrumenten zelf al in handen.

 

Hans van Cleef is hoofd Energie-onderzoek bij EqoLibrium (deze column is geschreven op persoonlijke titel en eerder geplaatst bij Studio Energie Opinie)

We horen graag van u

Meer weten?

Neem contact op met Hans van Cleef om te kijken wat EqoLibrium voor u kan betekenen.