De energietransitie loopt vast in een paradox: de wens om fossiele energie sneller af te bouwen groeit, terwijl weerstand tegen de alternatieven juist toeneemt. Daardoor ontstaat een groeiende kloof tussen ambities en praktische uitvoerbaarheid. Volgens Hans van Cleef kan de transitie alleen slagen als aanbod, vraag en infrastructuur gelijktijdig groeien. Dat vraagt om meer ruimte voor energievoorzieningen, daadkrachtig overheidsbeleid en een eerlijk debat over de onvermijdelijke gevolgen: de transitie wordt zichtbaarder, complexer en duurder voor iedereen.
Hans van Cleef is hoofd Energie-onderzoek bij EqoLibrium (deze column is geschreven op persoonlijke titel en eerder verschenen bij Studio Energie Opinie)
Afgelopen week stond op Energeia dat het vervangen van oude windmolens door nieuwe – repowering – niet lukt. Steeds vaker horen we dat het verder opschalen van het aandeel hernieuwbare energie vertraagt. Niet alleen het afschaffen van de salderingsregeling voor zonnepanelen en netcongestie, maar ook meer weerstand tegen het vervangen – laat staan nieuwbouw – van windmolens op land zorgen voor vertragingen. Daarnaast worden projecten voor zon- en windparken steeds duurder en zijn investeerders terughoudender, waardoor de businesscase onder druk staat.
Tegelijkertijd – zeker na de afgelopen hittegolven van deze zomer – klinkt er vanuit maatschappelijke organisaties en beleidsmakers de roep om juist sneller het gebruik van fossiele brandstoffen af te schalen. Dit schuurt. Een snellere afbouw van fossiel moet gepaard gaan met het sneller opbouwen van het alternatief.
“We willen wel de voordelen van de digitale economie, maar niet de fysieke infrastructuur die daarvoor noodzakelijk is”
Aangezien de verduurzaming of elektrificatie in de industrie slechts zeer beperkt van de grond komt, moet de groei van de vraag naar elektriciteit ergens anders vandaan komen. Juist daarom is het opmerkelijk dat de maatschappelijke weerstand tegen datacenters ook blijft groeien. Deze datacenters worden vooral gezien als energieverspillers en leveren weinig werkgelegenheid op.
Een beetje hypocriet is het wel, aangezien vrijwel iedereen dagelijks gebruik maakt van digitale diensten. En met de komst van kunstmatige intelligentie zal de roep om dataverwerking de komende jaren verder groeien. Dit is een merkwaardige tegenstelling. We willen wel de voordelen van de digitale economie, maar niet de fysieke infrastructuur die daarvoor noodzakelijk is.
“Wat jarenlang een theoretisch probleem leek, is uitgegroeid tot een tastbare economische rem”
En als vraag en aanbod dan al beter in balans komen, dan moet die elektriciteit ook verplaatst worden. De berichten over netcongestie en het gebrek aan ruimte op het net zijn dagelijks in de krant te lezen. Er is dan ook flink wat frustratie over de beperkende factor van het net als het gaat om meer woningbouw, uitbreiding van bedrijfsactiviteiten, het aansluiten van laadpleinen voor elektrische auto’s, et cetera.
Jarenlang waren de signalen zichtbaar dat het elektriciteitsnet de groeiende vraag en productie niet zou kunnen verwerken. Toch werd er onvoldoende geanticipeerd. Inmiddels zitten bedrijven en consumenten op veel plekken letterlijk te wachten op een aansluiting of uitbreiding van capaciteit. Wat jarenlang een theoretisch probleem leek, is uitgegroeid tot een tastbare economische rem.
Maar als een netbeheerder dan probeert alsnog een vergunning te krijgen voor een transformatorhuisje in de wijk of een aantal hoogspanningsmasten, dan zijn de bezwaarprocedures niet te tellen en wordt deze uitbreiding aanzienlijk vertraagd. Als het al lukt.
“Het risico is dat we continu hetzelfde patroon volgen. Dat is geen strategie, maar uitstelgedrag”
Het wordt daarmee steeds duidelijker dat al het laaghangende fruit inmiddels wel is geplukt, en dat de energietransitie steeds meer voelbaar en zichtbaar begint te worden. Voelbaar in de afname van leveringszekerheid, voelbaar in de portemonnee, zichtbaar in het landschap, zichtbaar in het niet blind kunnen uitvoeren van jouw (energievragende) plannen. Het schuurt opnieuw.
Zonder wrijving geen glans is dan een bekende uitspraak. Maar in een wereld die toch al steeds meer gedomineerd wordt door tegenstellingen, door geopolitieke onrust, en door – in ieder geval het gevoel van – meer ongelijkheid, is elkaar vinden op deze dossiers een steeds lastiger opgave.
Het risico is dat we continu hetzelfde patroon volgen: eerst jarenlang constateren dat er een probleem ontstaat, vervolgens eindeloos discussiëren over mogelijke oplossingen en uiteindelijk pas handelen wanneer de gevolgen zich volledig manifesteren. Dat is geen strategie, maar uitstelgedrag.
“De energietransitie slaagt niet door alleen meer aanbod te creëren. Zij slaagt pas wanneer aanbod, vraag én infrastructuur samen groeien”
Als Nederland werkelijk werk wil maken van het afbouwen van fossiele energie, dan moeten we accepteren dat een duurzame toekomst meer elektriciteit vraagt en niet minder. Dat betekent ruimte voor elektrificatie, ruimte voor datacenters, ruimte voor AI en ruimte voor meer energie-infrastructuur. Tegelijkertijd vraagt het om een overheid die bereid is vooruit te kijken en tijdelijke markttekorten te overbruggen wanneer maatschappelijke doelen daarom vragen.
De energietransitie slaagt niet door alleen meer aanbod te creëren. Zij slaagt pas wanneer aanbod, vraag én infrastructuur samen groeien. Verder is het een zekerheid dat onze energievoorziening duurder wordt. Ook daarin moet je iedereen meenemen. Enkel stellen dat ‘de vervuilende bedrijven’ moeten betalen is ronduit kortzichtig. Immers, de rekening kan niet oneindig bij het bedrijfsleven worden neergelegd in verband met internationale concurrentie. En daarnaast zullen die kosten waar mogelijk weer doorbelast worden aan de eindgebruiker (lees: de kiezer).
Kortom, de transitie wordt voor iedereen lastiger, zichtbaarder en duurder. Dat inzicht lijkt vanzelfsprekend, maar in het huidige debat wordt het opvallend vaak vergeten. Misschien is het tijd om dat te corrigeren en een eerlijk en vooral volledig beeld te schetsen. Voordat ook dit probleem ontspoort en we pas dan besluiten er iets aan te doen.