2 juni 2026

Wat Europa kan leren van de Franse energiekeuzes

Tijdens een vakantie aan de Franse Côte d’Azur valt het contrast met Nederland direct op: waar wij worstelen met netcongestie en stijgende energiekosten, lijkt Frankrijk dankzij decennialange investeringen in kernenergie een stuk zorgelozer. De belangrijkste les: de energietransitie vraagt niet alleen om plannen en ambitie, maar vooral om lef, investeringen en politieke volharding.

De afgelopen twee weken heb ik – na een hectisch voorjaar op de energiemarkten – even afstand genomen met een vakantie aan de Côte d’Azur. Daar waar het Franse leven in rustig voortkabbelt, en waar zon, wijn en terrassen het leven goed maken. De lokale jetset lijkt zich niet druk te maken over de kosten van benzine of diesel; de enorme motorjachten varen af en aan in de pittoreske haventjes.

Ook over het gebruik van elektriciteit lijkt de gemiddelde Fransman zich niet druk te maken. De eerste dagen kon de airco ’s avonds mooi op de verwarmingsstand tijdens de laatste frisse voorjaarsavonden van het jaar. Maar al snel arriveerde de zomer in volle glorie en stegen de temperaturen. De airco’s gingen op de koelstand, en pruttelden op volle toeren. Netcongestie, te hoge kosten en een overheid die oproept om tussen 16.00 en 21.00 zo min mogelijk stroom te gebruiken zijn niet aan de orde.

In Nederland zijn de wachtlijsten voor een aansluiting of uitbreiding tot ongekende lengte gegroeid. In Frankrijk daarentegen worden bedrijven gelokt met de belofte van stabiele én grotendeels koolstofarme elektriciteit. Niet in de minste plaats als gevolg van haar 57 kernreactoren, die voor bijna 70% van de elektriciteit zorgen. Voeg daar nog wat zon- en windenergie bij, en het is voor menig land een toonbeeld van hoe een mix van lokale en duurzame energie eruit kan, en misschien wel móét zien.

“Een té grote afhankelijkheid van energie-import, maakt je als land kwetsbaar”

Natuurlijk weet iedereen dat een energietransitie niet hetzelfde is als een transformatie, en dat er veel tijd (en geld) nodig is om een succesvolle transitie te maken naar een goed (lees: betrouwbaar) nieuw energiesysteem. De Fransen gingen immers ook niet over een nacht ijs.

Hoewel de eerste kerncentrale in Marcoule werd opgestart in 1956, werd Frankrijk pas echt een grootmacht op dit gebied vanaf de jaren 80. Na de oliecrisis in 1973 nam de Franse regering het besluit om in te zetten op meer energieonafhankelijkheid. De oliecrisis toonde immers aan dat een té grote afhankelijkheid van import je als land kwetsbaar maakt. Iets dat vandaag de dag weer bijzonder actueel is, en waarmee maar weer is aangetoond dat de geschiedenis zich altijd herhaalt.

Als de geschiedenis zich zo vaak herhaalt, dan zou je verwachten dat men er dus ook lessen uit trekt. Een ezel stoot zich immers niet twee keer aan dezelfde steen. En hoewel na de ramp in Fukushima (2011) de opinie ten aanzien van kernenergie in Europa ook veranderde (denk aan de Atom-ausstieg in Duitsland), had Frankrijk vooral andere zorgen. De oude reactoren lieten slijtage zien en hadden daarmee meer onderhoud nodig. Daar komt steeds vaker het probleem van droogte of te warm koelwater bovenop. Toch heeft het president Macron er niet van weerhouden om opnieuw fors in te zetten op kernenergie. Zijn plannen zetten in op nieuwe reactoren (EPR2) en het bouwen van kleine modulaire reactoren (SMR’s).

“Transities kosten tijd en geld. En het vergt politieke moed om dat te erkennen, en te verkopen aan je achterban”

Het is een van de vele voorbeelden die laten zien dat je met visie, lef en inzet een heel eind komt. De Fransen trokken lessen uit de oliecrisis en namen zich in 1973 voor om dit niet meer te willen. Daarom zetten zij vol in op investeringen die zich in de decennia daarna, tot op de dag van vandaag, uitbetaalden. Een beetje vergelijkbaar met de Nederlandse stormvloedkering, die ook gebouwd werd nadat er lessen werden getrokken uit het verleden en waar we nog steeds profijt van hebben.

De recente lessen liggen voor het oprapen. De COVID19-crisis toonde aan dat je niet te importafhankelijk wilt zijn van kritieke goederen (zoals mondkapjes). De Energiecrisis (2021/heden) toont aan dat een te grote afhankelijkheid van energie-import uit één land niet handig is op het moment dat je daarmee in conflict komt.

Hoewel we de afhankelijkheid van olie- en gasimporten uit Rusland rap hebben afgebouwd, is deze inmiddels ingeruild voor een te grote afhankelijkheid van de VS. Een land dat met handelstarieven zwaait en dreigt bij geen akkoord die tarieven te koppelen aan de leveringszekerheid van LNG aan Europa. Ook China dreigt geregeld de levering of verwerking van kritieke metalen stop te zetten of te verminderen.

Opnieuw wordt er daarom in Europa gesproken over meer energieonafhankelijkheid. De visie is er. Echter, het lef en de inzet blijven flink achter. Transities kosten tijd en geld. En het vergt politieke moed om dat te erkennen en te verkopen aan je achterban. Kosten gaan voor de baat uit. Nu blijven we nog te veel hangen in pleisters plakken en tijdelijke maatregelen, terwijl juist grote langjarige investeringen moeten worden opgeschaald.

“De energietransitie realiseer je niet vanuit bed”

Zaterdag 4 juli start de 113e Tour de France. Met deze keer maar liefst twee keer een finish op de Alpe d’Huez, de door ons geclaimde ‘Nederlandse berg’. Iets wat me doet denken aan een beroemde uitspraak van de Nederlandse Tourheld Joop Zoetemelk. Hij zei in 1980 dat je de Tour wint in bed. Zoetemelk bedoelde daarmee dat alleen door goed te rusten en tijd te nemen voor herstel je zo’n veldslag kan uithouden en dus kans maakt op de winst.

De energietransitie realiseer je niet vanuit bed. Maar net als bij de Tour de France heb je wel een plan nodig, een team om dit te realiseren en tijd voor zo nu en dan een pas op de plaats om de hele rit te kunnen afronden. Plannen hebben we in Europa (en Nederland) genoeg. Nu nog het lef en de inzet om dit te realiseren. Dat vergt vastberadenheid, veel geld, en moed.

Vastberaden om er jarenlang vol voor te gaan. Geld om onrendabele toppen te dekken en het bedrijfsleven in staat te stellen om de transitie ook fysiek te realiseren. En moed om dit aan de burger – en dus de kiezer – te blijven uitleggen, ook bij tegenwind of valpartijen. Kortom, niet met een Franse slag, maar wel met een Franse inzet!

 

Hans van Cleef is hoofd Energie-onderzoek bij EqoLibrium (deze column is geschreven op persoonlijke titel)