De roep om meer Europese samenwerking klinkt steeds luider nu geopolitieke spanningen toenemen. Energiezekerheid speelt daarin een centrale rol. Recente afspraken over wind op zee lijken een belangrijke stap, maar verhullen een ongemakkelijke waarheid: zonder een stevige inzet op elektrificatie van de vraag blijft meer opwek vooral een kostbare schijnoplossing.
Afgelopen week kondigden diverse regeringsleiders in Hamburg groots aan dat landen meer gaan samenwerken op het gebied van windenergie. Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Denemarken, België, IJsland, Ierland, Luxemburg én Nederland spraken af om 100 gigawatt (GW) aan gezamenlijke wind-op-zeeprojecten te bouwen. Dit als onderdeel van de bestaande ambitie om in 2050 in totaal 300 GW aan wind op zee te hebben staan.
Het bericht werd met veel gejuich ontvangen. Terecht, want er lijkt eindelijk een besef door te dringen dat meer Europese samenwerking in een snel veranderende geopolitieke wereld geen overbodige luxe is. Enkele dagen eerder dreigde president Trump nog een aantal EU-landen met verhoogde importtarieven omdat zij – als NAVO-leden – militairen hadden gestuurd naar Groenland.
“Onze trouwste bondgenoot laat ons Europeanen steeds vaker in de steek”
Hoewel die verhitte discussie voorlopig is bekoeld, groeit het besef dat onze trouwste bondgenoot ons op veel vlakken – waaronder defensie, IT en energie – steeds vaker in de steek laat. Meer strategische autonomie is daarom verstandig, óók als het gaat om onze energievoorziening.
Dat is een les die we eigenlijk al hadden kunnen – of beter moeten – leren tijdens de energiecrisis als gevolg van de oorlog tussen Oekraïne en Rusland. Die oorlog leidde tot een ‘snelle’, gedwongen afbouw van onze afhankelijkheid van Russisch gas. Hoewel toen de ambitie voor 300 GW aan wind op zee ontstond, leidde dat nog niet tot veel concrete actie.
De reden daarvoor kent u. Windtenders werden een flop, mede omdat windenergie de afgelopen jaren fors duurder is geworden. Hogere kosten voor materialen en arbeid, gecombineerd met overheden die geld wilden verdienen aan tenders, maakten de businesscase onrendabel. Zonder subsidies komt extra wind, ook op zee, simpelweg niet van de grond.
In het VK bleken nieuwe windprojecten wel weer mogelijk – mét subsidie. Ook in Nederland heeft demissionair minister Hermans maximaal vier miljard euro vrijgemaakt voor een nieuwe windtender van 1 GW. Een snelle rekensom leert dan hoeveel geld nodig is voor 100 GW, laat staan 300 GW. En dan is de benodigde infrastructuur nog niet eens meegerekend.
“We importeren helemaal geen elektronen, maar moleculen”
Veiligheid mag wat kosten. Willen we minder afhankelijk zijn van energie-import, dan zullen we meer energie zelf moeten winnen en opwekken. Toch wringt hier de schoen. We importeren namelijk geen elektronen uit Rusland of de VS, maar moleculen in de vorm van olie en gas. Met de bouw van extra windparken los je dat probleem dus bij lange na niet op.
Sterker nog, bij harde wind en zon hebben we nu al te veel hernieuwbare elektriciteit en moet er worden afgeschaald. De echte sleutel tot minder geopolitieke afhankelijkheid ligt daarom niet primair in méér opwek, maar in de elektrificatie van onze energievraag. Zonder vraag is extra aanbod onzinnig en een verspilde investering.
Toch maken regeringen opnieuw dezelfde fout als in de afgelopen jaren. De gedachte dat meer aanbod vanzelf leidt tot meer vraag, heeft tot op heden weinig opgeleverd. De elektriciteitsvraag is al jaren stabiel. De verduurzaming komt dus niet van de grond door extra groen aanbod, wel door het verplaatsen van CO2-uitstoot.
Deze regeringen hadden er daarom beter aan gedaan om de verdere elektrificatie van de energievraag actief te stimuleren. Meer vraag naar elektronen leidt vanzelf tot een betere businesscase voor de opwek van groene elektriciteit.
“Wil je geopolitiek minder afhankelijk worden, moet je zorgen dat de industrie in Europa blijft”
Wil je geopolitiek minder afhankelijk worden, dan moet je ervoor zorgen dat de industrie in Europa blijft en je meer afhankelijk wordt van import. Dat vraagt om tijd en ruimte voor bedrijven om concurrerend te blijven en te verduurzamen via elektrificatie, net als in de gebouwde omgeving. Alleen als die extra vraag naar elektriciteit wordt gegarandeerd, ontstaat er ook daadwerkelijk behoefte aan meer eigen hernieuwbare opwek, inclusief wind op zee.
In de aankondiging in Hamburg werd wel gesteld dat regeringen elektrificatie willen stimuleren, maar waar de 100 GW aan gezamenlijke windprojecten krachtig en vastberaden werd gepresenteerd, bleef deze kant van de transitie opvallend vaag. Dat is deels begrijpelijk: we hebben haast. De verduurzamingsdoelen botsen met de tijd die grootschalige elektrificatie nu eenmaal kost.
De benodigde CO2-reductie om de doelen te halen gaat sneller dan de industrie technisch kan realiseren. Weglek is het gevolg. Wie bovendien de afhankelijkheid van energie-import wil afbouwen, moet accepteren dat bedrijven en huishoudens dit niet alleen kunnen en financiële steun nodig hebben, en dat het dus per definitie duurder wordt. Zelfstandigheid, veiligheid en het afbouwen van efficiënte wereldhandel kosten nu eenmaal veel geld. En die kosten zullen we gezamenlijk moeten dragen.
“Alleen als je alles tegelijk aanpakt, kunnen we ons hopelijk staande houden in de veranderende wereldorde”
De politieke belofte dat we dit niet in de portemonnee mogen voelen, is dan ook een loze belofte. De rekening neerleggen bij ‘de grote vervuilers’ – vaak gewoon onze werkgevers – leidt niet tot verduurzaming, maar tot verschraling van onze industrie en daarmee onze economie. Het wegjagen van de industrie maakt ons ogenschijnlijk minder afhankelijk van geïmporteerde moleculen, maar juist afhankelijker van halffabricaten en geïmporteerde goederen. Het ‘voordeel’ is dat we onze nationale klimaatdoelen halen. Een typisch geval van: operatie geslaagd, patiënt overleden.
Ik hoop daarom oprecht dat het nieuwe kabinet het grotere plaatje blijft zien. En dat Europese regeringsleiders blijven beseffen dat samenwerking de enige weg vooruit is als het gaat om veiligheid – niet alleen defensie, maar ook leveringszekerheid van energie en economische weerbaarheid. Niet alleen het laaghangende fruit, zoals energieaanbod, maar het volledige pakket, dus inclusief vraag naar elektronen én infrastructuur.
Zelfs als je hier vol op inzet, zal onze afhankelijkheid slechts geleidelijk afnemen. Een transitie kost tijd. Alleen door alles tegelijk aan te pakken, kunnen we ons als Europa stap voor stap minder afhankelijk maken van import en ons staande houden in een veranderende wereldorde. Doen we dat niet, dan blijven we speelbal in de machtsstrijd tussen de VS en China.
Deze column werd eerder geplaatst op LinkedIn voor Studie Energie Opinie.
Hans van Cleef is hoofd Energie-onderzoek bij EqoLibrium (deze column is geschreven op persoonlijke titel)